Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
06/1526 WWB, 06/1528 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI1989
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. Terugvordering en medeterugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1526 WWB

06/1528 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 januari 2006, 05/832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2007. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lina. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreider overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 1997 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij zou samenwonen met [N.] (N) heeft de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een (voorlopig) rapport van onderzoek. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 januari 2005 (besluit 1) de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 1 oktober 2002 tot 1 januari 2004 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.436,36 van appellante terug te vorderen. Eveneens bij besluit van 20 januari 2005 (besluit 2) heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 juli 2004 tot 1 september 2004 en de over die periode gemaakte kosten teruggevorderd tot een bedrag van € 2.219,30. Dit besluit berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan mededeling te doen aan het College, in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Het College heeft deze kosten van bijstand mede teruggevorderd van appellant.

Besluit 1 en besluit 2 zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het College in het besluit van 26 april 2005 (ten aanzien van besluit 1) toepassing heeft gegeven aan onjuiste wettelijke bepalingen. Het besluit van 26 april 2005 is in zoverre vernietigd, maar bepaald is dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 april 2005 in stand zijn gelaten en appellanten hebben zich samen tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hun beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

In geding is allereerst de vraag of appellante in die hiervoor genoemde periode van 1 oktober 2002 tot 1 januari 2004 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op het adres [adres 1] met N. Daarvan is sprake indien zij hun hoofdverblijf in deze woning hadden en blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat ten tijde hier van belang zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het zorgcriterium is voldaan en dat appellante dus een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met N. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht biedt geen wezenlijk andere gezichtspunten in vergelijking met hetgeen in beroep is aangevoerd, zodat daarin geen grond is gelegen om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat in het onderzoeksrapport onjuistheden staan. De enkele stelling dat dit het geval zou zijn, is daarvoor immers onvoldoende. Op basis van dit rapport, meer in het bijzonder de verklaringen van appellante, N, en [H.], kan de gerechtvaardigde conclusie worden getrokken dat N feitelijk bij appellante verbleef ondanks zijn inschrijving op een ander adres. Niet alleen de verklaring van [H.], die is gebaseerd op eigen waarneming, duidt daarop, maar ook de eigen verklaring van N dat hij 3, 4 of 5 dagen per week bij appellante was en de verklaring van appellante dat N dagelijks bij haar over de vloer kwam en bij haar douchte. Ook de verklaringen van de buurtbewoners duiden daar op. De omstandigheid dat in de woning [adres 2], waar N stond ingeschreven, anderen woonden dan wel verbleven, wijst er op dat aan die inschrijving geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. Overigens heeft N het adres van appellante ook opgegeven als zijn woonadres, bijvoorbeeld in het kader van de procedure tot ondertoezichtstelling van het minderjarige kind van [H.].

Dat voldaan is aan het zorgcriterium leidt de Raad evenals de rechtbank af uit de verklaring van N dat hij mee at en meebetaalde aan de boodschappen, dat appellante de was voor hem deed, dat hij haar hond uitliet en dat zijn uit de relatie met [H.] geboren dochter regelmatig bij appellante en N verbleef en zij dan gezamenlijk de zorg hadden voor deze dochter. Dit laatste vindt bevestiging in de afschriften uit het schoolschriftje dat zich onder de gedingstukken bevindt.

Wat betreft besluit 2 is in geding of appellante in de maanden juli en augustus 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant op diens woonadres Op den [adres 3]. Appellanten hebben verklaard dat zij per 1 januari 2005 inderdaad samenwonen op dit adres. Voorts is aangegeven dat appellante in het besluit tot beëindiging van de bijstand per 1 september 2004 heeft berust en dat zij van de periode van 1 september 2004 tot januari 2005 geen twistpunt maken.

De Raad komt op basis van de eigen verklaringen van appellanten tot het oordeel dat het College terecht heeft aangenomen dat van 1 juli 2004 tot 1 september 2004 eveneens sprake was van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Appellant heeft desgevraagd verklaard dat appellante bij hem woonde vanaf de zomer en appellante heeft gezegd dat zij vanaf begin mei regelmatig, zo’n vier dagen per week, bij appellant verbleef. Dat dit vanwege de warme zomer was, zoals appellante ter zitting heeft toegelicht, maakt dat niet anders. Naar vaste rechtspraak van de Raad zijn immers de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid en de motieven van de betrokkenen daarvoor niet van belang. De verklaringen van appellanten duiden voorts op wederzijdse zorg en appellanten hebben dat later ook niet weersproken.

Gelet op het vorenstaande kon appellante in de in geding zijnde perioden niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft geen melding gemaakt van het voeren van een gezamenlijke huishouding met N en met appellant. Daarmee heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is haar in deze perioden ten onrechte bijstand verleend, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellante over deze perioden. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het College in dit geval geen onverkorte toepassing had mogen geven aan zijn beleid.

De terugvordering en de medeterugvordering

Uit het voorgaande vloeit voort dat wat betreft appellante tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de aan appellante over de in geding zijnde perioden betaalde bijstand.

Op grond van het voorgaande staat tevens vast dat appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante rekening had moeten worden gehouden. Verlening van gezinsbijstand is - niettemin - achterwege gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.

Het College heeft voorts gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van de terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen reden op grond waarvan het College daarvan had behoren af te wijken.

Slotoverwegingen

Noch het hoger beroep van appellante noch het hoger beroep van appellanten slaagt. De aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ