Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
06-5356 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de geldende vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5356 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 september 2006, 06/6532 en 06/6529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Namens het College is verschenen mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 1992 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij woonde op het adres [adres 1]. Op 30 maart 2005 heeft hij een schikking getroffen met de verhuurder van die woning, waarbij is overeengekomen dat de huurovereenkomst wordt beëindigd per 1 april 2006, of zoveel eerder als de huur door appellant wordt opgezegd. De verhuurder zal een bedrag aan appellant betalen, waarvan de hoogte afhankelijk is van de datum waarop appellant de woning zal ontruimen. Ter uitvoering van de getroffen schikking heeft appellant op 23 februari 2006 een bedrag van € 15.000,-- van de verhuurder ontvangen.

Het College heeft vervolgens bij besluit van 31 maart 2006 de bijstand met ingang van 23 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over de periode van 23 februari 2006 tot en met 28 februari 2006 tot een bedrag van € 171,35 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellant de voor hem geldende vermogensgrens met een bedrag van € 4.748,21 overschrijdt met ingang van 23 februari 2006.

De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het gaat hier om een intrekking van de bijstand met ingang van een in het verleden gelegen datum. Het College heeft de intrekking vanaf 23 februari 2006 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dat voor dit geval dat de bestuursrechter de periode van 23 februari 2006 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (31 maart 2006) dient te beoordelen.

Tussen partijen is primair in geschil of de voorzieningenrechter terecht heeft geconcludeerd dat het College de hoogte van het voor de WWB in aanmerking te nemen vermogen van appellant juist heeft vastgesteld. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat een deel van het aan hem door de verhuurder betaalde bedrag als vergoeding voor immateriële schade moet worden beschouwd en daarom niet als vermogen in de zin van de WWB in aanmerking kan worden genomen.

De Raad volgt appellant niet in dat standpunt. Uit het complementaire karakter van de WWB volgt dat in beginsel alle middelen waarover iemand beschikt in aanmerking worden genomen bij de vraag of hij in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien, tenzij een deel van die middelen daarvan expliciet is uitgezonderd. Daarvan zal dan wel voldoende en ondubbelzinnig uit objectieve gegevens moeten blijken. Noch uit de getroffen schikking noch anderszins is de Raad gebleken dat is beoogd aan appellant mede een tegemoetkoming toe te kennen voor immateriële schade. Het beroep van appellant op het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 maart 2005 maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter heeft bij dat vonnis appellant geen vergoeding toegekend, maar de verhuurder op straffe van een dwangsom verboden de door appellant gehuurde woning verder te verbouwen of te slopen. Uit de op 30 maart 2005 bij de kantonrechter getroffen schikking valt naar het oordeel van de Raad slechts af te leiden dat de hoogte van de vergoeding in verband moet worden gezien met het tijdstip van ontruiming. Dat er aanwijzingen zijn dat de verhouding tussen appellant en de verhuurder al geruime tijd zeer slecht was en dat appellant daaronder mogelijk heeft geleden, is onvoldoende om te concluderen dat het College min of meer spontaan had moeten vaststellen dat een deel van het door de verhuurder betaalde bedrag moet worden gezien als vergoeding voor geleden immateriële schade.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het voor de WWB in aanmerking te nemen vermogen van appellant ten tijde hier van belang de voor hem geldende vermogensgrens oversteeg. Het College was derhalve bevoegd met ingang van 23 februari 2006 tot intrekking van de bijstand over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarmee is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat, indien ook door de Raad wordt aangenomen dat terecht tot intrekking van de bijstand is overgegaan, geen zelfstandige grieven resteren tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het College de kosten van bijstand over de periode van 23 februari 2006 tot en met 28 februari 2006 in redelijkheid van appellant heeft kunnen terugvorderen. Ook de terugvordering kan derhalve standhouden.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ