Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB9342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
06/4255 BZ , 06/4256 BZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Gestelde voorwaarden voor het recht op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4255 BZ

06/4256 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 7 juni 2006, 05/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.K.E.E. Fuhler, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2007. Appellanten zijn niet verschenen en namens het College is verschenen mr. J.J. de Muinck, werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 9 mei 2005, heeft het College aan appellanten met ingang van 1 februari 2005, voor de duur van drie maanden, een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hierna: BBZ 2004) toegekend. Daarbij is tevens vermeld dat appellanten de maximale periode van 12 maanden als genoemd in artikel 18 van het BBZ 2004 hebben bereikt.

Op 10 juni 2005 hebben appellanten zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI), voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met terugwerkende kracht tot 1 mei 2005. Bij besluit van 13 juli 2005 heeft het College aan appellanten met ingang van 1 juni 2005 bijstand ingevolge de WWB toegekend. Bij dat besluit zijn aan de bijstandsverlening onder meer de volgende voorwaarden verbonden: appellant dient vóór 1 december 2005 of zoveel eerder zich te laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel, de zakelijke rekening 6410.07.426 te beëindigen en het College te laten weten wat de opbrengst van de verkoop van zijn belang in het bedrijf is. Bij besluit van 17 november 2005 is het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

17 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De ingangsdatum van de bijstand

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college van burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Naar inmiddels vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen (zie onder meer de uitspraak van 21 maart 2006, LJN AV8690).

Appellanten stellen zich op het standpunt dat het College de bijstand met ingang van 1 mei 2005 had moeten toekennen en hebben daartoe aangevoerd dat zij in de maanden mei en juni 2005 diverse malen contact hebben gehad met de sociale dienst van de gemeente Midden-Drenthe, teneinde te bespreken of alsnog een verlenging van de uitkering in het kader van het BBZ 2004 mogelijk was, dan wel of aan hen met ingang van 1 mei 2005 bijstand op grond van de WWB zou kunnen worden verstrekt.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten zich eerst op 10 juni 2005 bij het CWI hebben gemeld. Dat appellanten daarvoor hebben gepoogd bijstand in het kader van de WWB aan te vragen is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk geworden. Uit de gedingstukken blijkt slechts dat appellanten daarvóór hebben geprobeerd verlenging van de uitkering op grond van het BBZ 2004 te bewerkstelligen. Nu het hier om een wezenlijk andere uitkering gaat dan bijstand op grond van de WWB en bijstand in beginsel slechts op aanvraag wordt toegekend, kan niet worden gezegd dat de acties die appellanten vóór 10 juni 2005 hebben ondernomen, tot het innemen van een aanvraag om algemene bijstand hadden moeten leiden. De door appellanten overgelegde uitdraai van KPN maakt dit niet anders, nu daaruit slechts blijkt dat appellanten in mei en juni 2005 met het algemene telefoonnummer van de gemeente Midden-Drenthe hebben gebeld.

Evenmin acht de Raad het College gehouden in een situatie als deze appellanten spontaan te informeren omtrent de mogelijkheid van een aanvraag om algemene bijstand. De Raad acht daarvoor mede van belang dat uit de ambtelijke rapportage van 3 mei 2005, welke in samenhang met een advies van het IMK ten grondslag heeft gelegen aan het op 9 mei 2005 verzonden besluit tot voortzetting van de BBZ-uitkering aan appellanten, blijkt dat appellant toen nog is aangemerkt als een gevestigde ondernemer wiens bedrijf naar verwachting na de bijstandsverlening levensvatbaar zal zijn. In dit verband wijst de Raad er verder op dat appellanten uit het op 9 mei 2005 verzonden besluit konden weten dat zij vanaf 1 mei 2005 geen recht meer hadden op een uitkering ingevolge het BBZ 2004.

Het beroep van appellanten op artikel 16 van de WWB slaagt evenmin. Dit artikel bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan een persoon die niet behoort tot de kring van rechthebbenden op bijstand als omschreven in paragraaf 2.2 van de WWB, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Appellanten zijn echter niet uitgesloten van de kring van rechthebbenden, zodat de uitzonderingsbevoegdheid van artikel 16 WWB reeds daarom niet op hen van toepassing is.

Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er voor het College geen aanleiding bestond bijstand aan appellanten toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan 1 juni 2005.

De aan de bijstand verbonden voorwaarden

De rechtbank heeft ten aanzien van de door appellanten aangevochten voorwaarden overwogen dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat aan de eerste voorwaarde (de uitschrijving bij de Kamer van Koophandel) is voldaan en dat niet meer wordt betwist dat appellant niet bevoegd is om de zakelijke rekening te beëindigen. Ook aan deze voorwaarde moet appellant worden geacht te hebben voldaan, aldus de rechtbank. Ten aanzien van de derde voorwaarde stelt het College zich blijkens het verhandelde ter zitting van de rechtbank op het standpunt dat deze voorwaarde aldus moet worden gelezen, dat appellant verplicht is zijn belang in het bedrijf onmiddellijk te verkopen. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat de tekst van laatstgenoemde voorwaarde, zoals in het besluit van 13 juli 2005 is neergelegd, appellant slechts verplicht de opbrengst van een eventuele verkoop aan het College mede te delen. Indien het College beoogt (tevens) een termijn te stellen voor de verkoop van het aandeel van appellant in de vennootschap, dient het College dit naar het oordeel van de rechtbank, onder meer gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, duidelijk tot uitdrukking te brengen in de tekst van de voorwaarde. Nu dit niet is geschied kan appellant niet gehouden worden geacht tot een (onmiddellijke) verkoop van zijn aandeel in het bedrijf.

Het College heeft geen hoger beroep ingesteld en appellanten hebben in dit verband slechts aangevoerd dat het stellen van deze voorwaarden niet steunt op de wettelijke bepalingen van de WWB.

De Raad volgt appellanten daarin niet. De voorwaarde dat appellanten het College moeten laten weten wat de waarde is van de verkoop van het belang van appellant in het bedrijf, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 17 van de WWB, terwijl de twee andere voorwaarden hun grondslag vinden in artikel 55 van de WWB.

Conclusie

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ