Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB8082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
06-3849 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen overname van de pensioentoezegging door de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3849 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2006, 05/659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.K. Bekhof, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien hun stellingen nog diverse malen schriftelijk toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Bekhof als zijn raadsvrouw. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant, geboren in 1949, is op 7 januari 2002 in dienst getreden van Warranty Holdings International, een rechtspersoon naar Engels recht, gevestigd te Bornem in België (hierna: werkgever). Als onderdeel van de arbeidsovereenkomst hebben partijen onder meer afgesproken dat de werkgever een reeds bestaande pensioenverzekering van appellant zou overnemen. Op 24 maart 2004 zijn in Groot-Brittannië bewindvoerders over het bedrijf aangesteld, een situatie die overeenkomt met een surséance van betaling van de werkgever. Nadat op 25 mei 2004 een ontslagvergunning was verkregen, is de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever op 27 mei 2004 opgezegd tegen 30 juni 2004.

2.2. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van appellant heeft het Uwv bij besluiten van 26 oktober 2004 en 3 november 2004 in het kader van Hoofdstuk IV van de WW een aantal verplichtingen van de werkgever overgenomen zoals loon, vakantietoeslag, vakantiedagen en onkostenvergoedingen. De bijdrage van de werkgever aan het pensioen van de werknemer heeft het Uwv echter niet overgenomen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 21 maart 2005 ongegrond is verklaard. Kort gezegd heeft het Uwv daartoe overwogen dat de werkgever geen gestalte heeft gegeven aan de overname van de pensioenverzekering en dat appellant geen stukken heeft aangeleverd waaruit blijkt dat de werkgever een overeenkomst had met de pensioenverzekeraar of dat de werkgever een pensioenverplichting is aangegaan. Het Uwv was van mening dat de toezegging onvoldoende concreet was om onder de overnemingsregeling van Hoofdstuk IV van de WW te vallen.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat wijziging van de polis nooit heeft plaatsgevonden en dat er geen verplichting jegens de verzekeraar is ontstaan.

4. In hoger beroep heeft appellant er op gewezen dat bij de pensioentoezegging zoals die in de arbeidsovereenkomst is opgenomen een gebruikelijke voorwaarde is genoemd, welke niet belemmerend is geweest voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Appellant wijst er wat dat betreft op dat het in casu een zogenoemde C-polis betreft die op naam van de werknemer staat en waarbij de werkgever de premie ter beschikking stelt. Voorts wijst appellant er op dat er alles aan is gedaan om de werkgever tot betaling te bewegen, maar dat de communicatie met de werkgever moeizaam verliep omdat de Engelse werkgever was gevestigd in België en appellant zijn werkzaamheden in Nederland uitoefende.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting stelt de Raad vast dat in hoger beroep tussen partijen nog slechts in geschil is de vraag of het Uwv terecht en op goede gronden besloten heeft om de pensioenpremie, die als loon is aan te merken en betrekking heeft op de in artikel 64, aanhef en onder a en b, van de WW genoemde perioden, niet over te nemen omdat de vordering van appellant terzake daarvan aan gerede twijfel onderhevig is. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

5.2. Blijkens het arbeidscontract van 7 januari 2002 hebben werkgever en appellant in artikel 12 ten aanzien van het pensioen het volgende afgesproken: ‘De werkgever zal de bestaande pensioenverzekering die door de werknemer werd afgesloten (…) overnemen op voorwaarde dat dit contract voldoet aan de wettelijke vereisten inzake vrijstelling sociale zekerheid en fiscale aftrekbaarheid.’ Appellant heeft niet duidelijk kunnen maken wat partijen bij het aangaan van deze verplichting voor ogen stond. Zo is er namens appellant op gewezen dat de in artikel 12 vermelde voorwaarde een gebruikelijk beding in een arbeidsovereenkomst is. Appellant heeft daarvan echter geen aanvullend bewijs geleverd, bijvoorbeeld aan de hand van vergelijkbare bepalingen in andere arbeidsovereenkomsten en de daaraan vervolgens gegeven nadere invulling, en heeft evenmin duidelijk gemaakt wat de betekenis van dat beding is. De suggestie dat deze voorwaarde uit het contract betrekking heeft op eventuele betalingsverplichtingen van de werkgever tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van appellant, acht de Raad in dit verband te speculatief. De Raad wijst er daarbij voorts op dat er appellant niets aan in de weg stond om zelf te onderbouwen dat de voorwaarde uit artikel 12 van de arbeidsovereenkomst was vervuld. Uit de door appellant ingebrachte brief van P.M. van der List van 12 april 2002 volgt in ieder geval niet dat aan die voorwaarde was voldaan juist omdat er, blijkens die brief, nog onduidelijkheden bestonden rond de pensioentoezegging. Voorts blijkt uit de e-mailwisseling van 24 juli 2002 dat op die datum evenmin vast stond dat de werkgever op enigerlei wijze ten opzichte van appellant was gebonden, nu daarin slechts wordt aangekondigd dat het dossier dat de door appellant ingeschakelde heer Van der List aan de werkgever had gestuurd, nog nader moest worden bestudeerd.

Dat appellant de werkgever diverse malen zou hebben aangesproken op diens verplichtingen ten aanzien van het pensioen, doet aan het voorgaande niet af.

5.3. Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

23/10

BdH