Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
12-11-2007
Zaaknummer
06-4825 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ter zake van provisie een duidelijke en niet aan gerede twijfel onderhevige vordering heeft op zijn werkgever die voor overneming ingevolge Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4825 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 juli 2006, 05/337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen

mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Betrokkene was sinds 1 december 2001 in dienst bij Tedab Installatiegroep BV (hierna: werkgever), laatstelijk in de functie van [naam functie]. Hij heeft bij appellant een aanvraag ingediend ingevolge Hoofdstuk IV van de WW nadat zijn werkgever op 29 januari 2004 in staat van faillissement was verklaard, en de curator bij brief van 30 januari 2004 zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd.

2.3. Bij besluit van 20 september 2004 heeft appellant aan betrokkene een uitkering ingevolge Hoofdstuk IV van de WW toegekend ter zake van loon, vakantietoeslag, ATV-uren, kilometervergoeding, spaarloon, ziektekostenverzekering en onkostenvergoeding. In dat besluit is tevens vermeld dat betrokkene in 2003 recht had op provisie tot een bedrag van € 1.022,04, dat hij aan provisie van de werkgever een voorschot van

€ 4.537,80 heeft ontvangen, en dat een bedrag van € 3.515,76 aan te veel betaalde provisie door de curator zal worden teruggevorderd. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit, voor zover betrekking hebbend op vakantiedagen, kilometervergoeding en provisie.

2.4. Met een besluit van 13 oktober 2004 is appellant ten aanzien van de vakantiedagen geheel, en ten aanzien van de kilometervergoeding gedeeltelijk, tegemoet gekomen aan de bezwaren van betrokkene.

2.5. Appellant heeft bij beslissing op bezwaar van 4 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) de resterende bezwaren van betrokkene, inzake de kilometervergoeding en de provisie, ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2.6. Bij besluit van 15 april 2005 is door appellant alsnog geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van betrokkene ten aanzien van de kilometervergoeding. Het bestreden besluit is voor het overige gehandhaafd.

3.1. De rechtbank heeft met betrekking tot de gestelde aanspraak van betrokkene op overneming door appellant van door de werkgever aan hem verschuldigde provisie

-samengevat- het volgende overwogen.

3.2. De rechtbank stelt vast dat op betrokkene de zich in het dossier bevindende provisieregeling 2001 van toepassing was. Op grond van de tekst van die regeling en uit door appellant bij de werkgever ingewonnen informatie stelt de rechtbank vast dat, anders dan door betrokkene is gesteld, geen vast maandelijks bedrag aan provisie, maar een resultaatsgerichte provisie is overeengekomen, die in het kader van Hoofdstuk IV van de WW zo nauwkeurig mogelijk moet worden vastgesteld. De rechtbank is voorts van oordeel dat appellant zijn conclusie dat betrokkene in het geheel geen recht had op provisie, althans dat niet gesteld kan worden dat de vordering van betrokkene duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig is, niet uitsluitend heeft mogen baseren op door de curator verstrekte informatie, inhoudende dat het resultaat van de vestiging Breda over 2003 negatief was. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene nu hij een door hem opgesteld "resultatenschema" d.d. 12 (lees: 11) december 2003 (hierna: overzicht) in het geding heeft gebracht, waarop is vermeld dat hij over 2003 € 2.671.963,00 aan opdrachten heeft verworven, en deze opdrachten heeft onderbouwd, zijn vermeende provisieaanspraak zoveel als mogelijk aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank ziet op grond hiervan, zonder nader onderzoek naar de juistheid van de door betrokkene overgelegde gegevens, onvoldoende aanleiding voor gerede twijfel omtrent de gestelde provisieaanspraak. De rechtbank heeft het beroep dan ook gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en appellant opgedragen overeenkomstig het overwogene te besluiten.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat een vordering alleen voor overneming op grond van Hoofdstuk IV in aanmerking komt, indien deze duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig is. Appellant stelt dat het door betrokkene ingediende overzicht de geclaimde aanspraak op provisie niet aannemelijk maakt, en de gerede twijfel die er bestaat ten aanzien van zijn vordering niet kan wegnemen. Appellant kan zich ook niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het overzicht moet worden aangemerkt als begin van bewijs voor de stelling dat betrokkene recht heeft op provisie dat noopt tot nader onderzoek door appellant. Het overzicht maakt volgens appellant slechts aannemelijk dat betrokkene in 2003 opdrachten heeft verworven, en niet welk resultaat is behaald. Appellant heeft onderzoek gedaan naar het resultaat en via de curator informatie van de werkgever ontvangen. Nu de werkgever uitdrukkelijk heeft aangegeven dat in 2003 geen positief resultaat is behaald, hetgeen in het licht van het in januari 2004 uitgesproken faillissement niet onaannemelijk is, acht appellant nader onderzoek naar de feiten, voor zover al mogelijk, niet nodig.

4.2. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad in verweer gesteld dat hij zijn vordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Volgens hem was er sprake van een zeer duidelijke provisieregeling in die zin dat hij een vast bedrag aan provisie ontving. De door hem ontvangen provisie is nooit achteraf verrekend. Als de werkgever niet failliet zou zijn gegaan, zou de provisie volgens betrokkene zijn doorbetaald. Meer dan het overzicht kan hij niet overleggen.

5.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de gestelde provisieaanspraak. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het standpunt van betrokkene dat hij maandelijks recht had op een vast bedrag aan provisie, geen steun vindt in de gedingstukken. Evenals de rechtbank houdt de Raad het er op grond van de beschikbare gegevens voor dat de door betrokkene ondertekende provisieregeling 2001 van toepassing is. In die regeling is vermeld dat betrokkene maandelijks een door de directie vastgesteld vast bedrag aan voorschotprovisie ontvangt waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Blijkens de regeling wordt het voorschot verrekend met de gerealiseerde provisie, zijnde 5% van het behaalde resultaat voor belastingen, conform de provisieregeling.

5.3. De Raad kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten. Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 8 december 2004 (LJN AR8115, RSV 2005/61) gaat de op het Uwv rustende verplichting tot het verrichten van onderzoek niet zover dat hij een stelling die op geen enkele wijze wordt gedragen door enig bewijs, nader moet onderzoeken. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het door betrokkene opgestelde overzicht niet als begin van bewijs voor de gestelde aanspraak op provisie kan worden aangemerkt. De Raad volgt appellant in zijn redenering dat dit overzicht in het geheel geen informatie bevat over een behaald resultaat, als bedoeld in de provisieregeling. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellant het bestreden besluit heeft kunnen baseren op de door de curator verstrekte gegevens van de werkgever.

5.4. De Raad komt, gelet op het bovenstaande, tot de conclusie dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake van provisie een duidelijke en niet aan gerede twijfel onderhevige vordering heeft op zijn werkgever die voor overneming ingevolge Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt.

5.5. Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

19/10

BdH