Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
12-11-2007
Zaaknummer
05-1458 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1458 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 januari 2005, 04/64 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H. Drenth, kantoorgenoot van mr. De Leon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 26 februari 2003 tot intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 7 april 2003.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 december 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 december 2003 geheel in stand blijven, een en ander met nadere beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.

Vernietiging van het besluit van 2 december 2003 heeft plaatsgevonden omdat het besluit op bezwaar niet was voorzien van een deugdelijke motivering.

De rechtbank is echter voorts op basis van een door het Uwv in de beroepsprocedure verstrekte toelichting tot het oordeel gekomen dat de door het Uwv in het besluit van

2 december 2003 neergelegde opvatting dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 7 april 2003 minder dan 15% bedroeg en er mitsdien per die datum niet langer recht op een WAO-uitkering bestond, juist was. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gevonden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het onderdeel van de uitspraak dat strekt tot het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Appellante bestrijdt dat zij per 7 april 2003 niet langer recht had op een WAO-uitkering. Appellante heeft ter onderbouwing van dit standpunt in hoger beroep een aantal van haar reeds in beroep ingediende grieven herhaald. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt, inhoudende dat het Uwv in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door bij zijn besluit van 2 december 2003 niet uit te gaan van de situatie waarin appellante op dàt moment verkeerde, faalt. Ter beoordeling in dit geval staat, gelet op het besluit van

2 december 2003, de situatie waarin appellante per 7 april 2003 verkeerde. Uit artikel 7:11 van de Awb vloeit, in dit geval en voor zover hier van belang, niet méér voort dan dat het Uwv gehouden is alle in bezwaar ingediende informatie die betrekking heeft op de situatie waarin appellante per 7 april 2003 verkeerde in zijn besluitvorming te betrekken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het Uwv dit gedaan en is er geen sprake van ten opzichte van de datum in geding verouderde informatie.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.H.A. Uri.

TM