Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
06-5395 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen bezwaargronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 90 met annotatie van F.J.L. Pennings
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5395 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 augustus 2006, 05/6261 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2007. Namens appellant is verschenen mr. M. Koot, advocaat te Den Haag. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 april 2005 (hierna: primaire besluit) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 29 maart 2005 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Namens appellant heeft A.J.M. Koolen, werkzaam bij FNV Bondgenoten, bij brief van 3 juni 2005 bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

1.3. Bij schrijven van 27 juni 2005 heeft het Uwv de ontvangst van het bezwaarschrift aan Koolen bevestigd en haar in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar binnen vier weken na dagtekening van die brief in te dienen. Daarbij is erop gewezen dat, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

1.4. Koolen heeft het Uwv bij brief van 30 juni 2005 bericht dat FNV Bondgenoten niet langer als gemachtigde van appellant optreedt en dat appellant heeft besloten om zijn dossier zelf verder te behandelen.

1.5. Bij besluit van 29 juli 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan het in de brief van 27 juni 2005 gedane verzoek om binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden van het bezwaar in te dienen.

2.1. Bij uitspraak van 2 maart 2006 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.2. Het Uwv heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak. In dat kader heeft het Uwv contact opgenomen met Koolen. Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende telefoonnotitie heeft Koolen tegenover het Uwv verklaard dat zij op 14 juni 2005 alle stukken aangetekend naar appellant heeft toegestuurd. Voorts heeft zij verklaard dat voornoemde brief van het Uwv van 27 juni 2005 op 29 juni 2005 door FNV Bondgenoten is ontvangen en op 30 juni 2005 per aangetekende post aan appellant is toegestuurd, waarbij uitdrukkelijk is aangegeven tot wanneer appellant de gelegenheid had om de gronden van het bezwaar in te dienen.

2.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 april 2006 het door het Uwv gedane verzet gegrond verklaard, waardoor de uitspraak van 2 maart 2006 is komen te vervallen en het geding is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv eerst in het kader van het door hem ingediende verzet tegen de uitspraak van 2 maart 2006 contact heeft opgenomen met de ex-gemachtigde van appellant teneinde de gang van zaken over de overdracht van het dossier aan appellant te onderzoeken. De rechtbank achtte het niet zorgvuldig dat dit onderzoek eerst na het nemen van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat op grond van dit onderzoek vast is komen te staan dat appellant op de hoogte was, of kon zijn, van de gestelde fatale termijn voor het indienen van de gronden. De brief van 27 juni 2005 van het Uwv is immers door de ex-gemachtigde aangetekend aan appellant verzonden. De rechtbank zag geen aanleiding hieraan te twijfelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uiteindelijk is gebleken dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan zijn stelling dat het ingediende bezwaarschrift van 3 juni 2005 de gronden, zij het summierlijk, bevatte. Voorts heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv hem, nadat zijn toenmalige gemachtigde zich aan de zaak had onttrokken, in de gelegenheid had moeten stellen het verzuim te herstellen. Dat het Uwv achteraf van de ex-gemachtigde heeft vernomen dat deze termijnbrief van het Uwv is doorgestuurd naar appellant maakt dit niet anders. Nadat de gemachtigde zich aan de zaak had onttrokken had het Uwv immers rechtstreeks met appellant te maken.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. In artikel 6:6 van die wet is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. De Raad zal eerst ingaan op de stelling van appellant dat voldaan was aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, omdat het bezwaarschrift van 3 juni 2005 gronden bevatte.

4.3. Volgens jurisprudentie van de Raad - bijvoorbeeld CRvB 14 februari 2007, LJN BA1950, RSV 2007/149 - worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Hiermee wordt een feitelijke grond bedoeld, waaronder de Raad verstaat een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is.

4.4. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het bezwaarschrift van 3 juni 2005 tegen het primaire besluit geen concrete bezwaargrond bevat. In dat bezwaarschrift is slechts meegedeeld: “Belanghebbende acht deze beschikking in strijd met de betreffende en de hieraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, de algemene bepalingen van behoorlijk bestuur en de overige ter zake geldende bepalingen. Belanghebbende is tevens van mening dat de beschikking berust op een onjuiste feitelijke grondslag”. Deze mededeling kan niet worden aangemerkt als een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende bezwaargrond.

4.5. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht heeft besloten het bezwaar, met toepassing van artikel 6:6 van de Awb, niet-ontvankelijk te verklaren omdat de gronden waarop het bezwaar berust niet tijdig bij het Uwv zijn ingediend.

4.6. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van de gedingstukken staat voor de Raad voldoende vast dat de toenmalige gemachtigde van appellant de brief van het Uwv van 27 juni 2005 op 30 juni 2005 per aangetekende post heeft doorgezonden naar appellant en daarbij uitdrukkelijk heeft vermeld wat de uiterste datum was voor het indienen van de gronden. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van deze gemachtigde. De Raad gaat derhalve voorbij aan de stelling van appellant dat hij de brief van 30 juni 2005 van FNV Bondgenoten nooit heeft ontvangen, nu deze stelling pas ter zitting van de Raad voor het eerst duidelijk naar voren is gebracht. Hieruit volgt dat appellant wist, althans kon weten wat de termijn was waarbinnen de gronden moesten zijn ingediend en wat de mogelijke gevolgen zouden zijn indien hij de bezwaargronden niet tijdig zou indienen.

4.7. Volgens appellant had het Uwv hem een nieuwe termijn moeten geven voor het indienen van de gronden. Nu het Uwv dat niet heeft gedaan acht hij het onredelijk om een niet-ontvankelijkheid van het bezwaar uit te spreken.

4.8. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Indien appellant van mening was dat hem een nieuwe termijn had moeten worden gegeven voor het indienen van de bezwaargronden, dan had hij het Uwv daarom tijdig en gemotiveerd moeten verzoeken. Op het Uwv rust geen algemene verplichting om in een geval als het onderhavige, waarin een gemachtigde zich tijdens de bezwarenprocedure onttrekt aan de zaak, de bezwaarmaker een nieuwe termijn te geven voor het indienen van de gronden waarop het bezwaar rust.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Het hoger beroep van appellant kan derhalve niet slagen en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BdH