Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
06-1929 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Aanvang redelijke termijn. Zorgplicht werkgever.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/55
ABkort 2007/585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1929 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 februari 2006, 04/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.P. Mulders, advocaat te Boxtel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wilken en mr. M. Roebersen, beiden advocaat te Amsterdam. Voor het college waren tevens aanwezig [V.d. H.] en mr. A.J.C. Bolders, beiden werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vanaf begin jaren negentig werkzaam geweest als [naam functie] voor de gemeente ’s-Hertogenbosch. Vanaf medio december 1996 heeft appellant zijn werkzaamheden verzuimd wegens arbeidsongeschiktheid. Aan appellant is, na het doorlopen van de zogenoemde wachttijd, een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100%. Het college heeft appellant met ingang van 14 februari 2000 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Daartegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 25 januari 2001 heeft appellant de gemeente aansprakelijk gesteld en verzocht om vergoeding van de psychische schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden en nog zal lijden wegens schending van de zorgplicht door de gemeente. Nadat appellant het college diverse malen had verzocht een besluit te nemen, heeft appellant op 6 februari 2002 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Bij besluit van 2 april 2002 heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant heeft zijn verzoek onderbouwd met het rapport van psychiater Zwemstra die als oorzaak van het ernstig depressief toestandsbeeld zowel de persoonlijkheidsstructuur van appellant als de werkomstandigheden heeft genoemd. Op verzoek van het college hebben een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige advies uitgebracht. Ook zij hebben als oorzaak genoemd de persoonlijkheidsstructuur en de werkomstandigheden. Na bezwaar heeft het college het besluit van 2 april 2002 gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2004 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort weergegeven - overwogen dat het werk of de in de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die deze schade hebben veroorzaakt, niet van dien aard waren dat deze objectief bezien een buitensporig karakter dragen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescher-ming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

3. De Raad ziet aanleiding allereerst in te gaan op de grief van appellant over de duur van de besluitvorming van het college. Ter beoordeling ligt voor of in deze procedure een overschrijding heeft plaatsgevonden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

3.1. Deze termijn begint in een procedure als de onderhavige te lopen op het moment waarop een belanghebbende bezwaar maakt tegen het primaire besluit, tenzij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in het geding is. In dit geval ziet de Raad aanleiding om 6 februari 2002, de datum van indiening van het bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen op het in rubriek 1.2. weergegeven verzoek, te hanteren als moment van aanvang van deze termijn. Gelet op de datum van de uitspraak van de Raad in deze zaak heeft de procedure 5 jaar en 8 maanden geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging kan worden gevonden voor de lange duur van de procedure.

3.2. De grief van appellant richt zich alleen tegen het aandeel van het bestuursorgaan in deze procedure. Het door appellant ingediende bezwaarschrift van 6 februari 2002 heeft geresulteerd in het bestreden besluit van 24 maart 2004. De Raad is van oordeel dat het college door de lange termijn die het heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, appellant ervan afgehouden heeft om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. In het aanvragen van een medisch en arbeidsdeskundig advies vindt de Raad geen rechtvaardiging voor een duur van deze besluitvorming van meer dan twee jaar.

3.3. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273 en JB 2005/309, stelt de Raad vast dat het hiervoor overwogene tot de slotsom leidt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het inleidend beroep en onder vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De Raad acht het aannemelijk dat appellant als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade. De Raad stelt de door het college te vergoeden schade vast op € 1.500,-.

4. De Raad zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant zijn verzoek om schadevergoeding heeft gebaseerd op onrechtmatig handelen jegens hem door de gemeente. Dit beweerdelijk onrechtmatig handelen ziet op schending van de zorgplicht van de werkgever (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112). Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB

8 september 2005, LJN AU2896 en TAR 2005, 177) strekt de zorgplicht van de werk-gever zich mede uit tot het voorkomen van werkomstandigheden die psychisch ziek-makend zijn. Dit laat onverlet dat de zorgplicht van de werkgever slechts aan de orde komt indien de schade in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden. Overigens kan de zorgplicht niet zo ruim worden opgevat dat van de werkgever wordt verlangd op voorhand bescherming te bieden tegen alle denkbare wrijvingen en (samen-werkings-)problemen die zich op de werkvloer kunnen voordoen. De in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de schade zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de gestelde schade het gevolg is van psychisch letsel, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen.

4.2. Evenals de rechtbank neemt de Raad als uitgangspunt zijn uitspraak van 12 april 2001, 99/57, waarbij appellant en het college partij waren. Deze uitspraak brengt naar het oordeel van de Raad met zich dat ervan moet worden uitgegaan dat appellant geen taken heeft vervuld die geen deel uitmaakten van zijn functie van [naam functie]. De Raad heeft in die uitspraak immers overwogen dat appellant er niet in is geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat de werkzaamheden waarvan appellant heeft gesteld dat die buiten de grenzen van zijn functie vallen, niet kunnen worden geacht deel uit te maken van de in het functieprofiel gegeven opsomming van wat zijn werkzaamheden in hoofdzaak omvatten.

4.3. Voorts overweegt de Raad dat aan de functie van [naam functie] inherent is dat sprake is van contacten met buurtbewoners. Uit door appellant opgemaakte verslagen van gehouden functioneringsgesprekken die hebben plaatsgevonden in de jaren 1992 tot en met 1996, blijkt dat hij beschikte over goede sociale vaardigheden en in het bijzonder dat hij goed functioneerde op het vlak van het hanteren van conflicten. Dat appellant ernstige problemen heeft ondervonden als gevolg van een agressieve bejegening door buurt-bewoners en dat hij in verband daarmee heeft verzocht cursussen te mogen volgen, acht de Raad op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende aannemelijk.

4.4. Dat het college de aan appellant opgedragen taken ontoelaatbaar heeft uitgebreid acht de Raad evenmin aannemelijk. De door appellant zelf opgestelde verslagen van functioneringsgesprekken geven immers geen enkel signaal voor het bestaan van problemen met een buitensporige werkdruk. Evenmin zijn aanknopingspunten te vinden voor problemen van appellant met het weinig afgegrensd zijn van de - aanvankelijk experimentele - functie dan wel met het ontbreken van sturing of leiding. Eén van de door appellant opgestelde verslagen duidt veeleer op het tegendeel, aangezien men overwoog om appellant diverse wijkbeheerders en [naam functie]s te laten aansturen. Volgens de verslagen heeft appellant over de diverse jaren steeds goed gefunctioneerd. Dat appellant niet de erkenning heeft gekregen die hij had gewenst, maakt naar het oordeel van de Raad niet dat geoordeeld moet worden dat sprake is geweest van factoren die een buitensporig karakter dragen.

4.5. Gelet op al het voorgaande is de Raad van oordeel dat geen sprake is van factoren die in verhouding tot het werk van [naam functie] of zijn werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Gelet hierop kan geen plicht tot schadever-goeding wegens schending van de zorgplicht worden aangenomen. Aan de vraag of de oorzaak van het psychisch letsel meer in het werk dan wel in de persoonlijkheidsstructuur van appellant moet worden gevonden, komt de Raad niet toe.

4.6. Appellant heeft de Raad er voorts niet van kunnen overtuigen dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietende nazorg.

4.7. Appellant heeft ook nog een beroep gedaan op goed werkgeverschap. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat geen aansprakelijkheid van het college kan worden aangenomen op grond van schending van de zorgplicht als werkgever. Andere gronden dan hiervoor zijn besproken heeft appellant niet aan zijn beroep op goed werkgeverschap ten grondslag gelegd. De Raad concludeert dan ook dat het college door het niet toekennen van schadevergoeding niet in strijd heeft gehandeld met het goed werk-geverschap van de overheid. Tot slot overweegt de Raad dat artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek geen bestuursrechtelijke grondslag kan bieden aan een verzoek om schadevergoeding.

5. Gezien het voorgaande ziet de Raad aanleiding op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het (te vernietigen) bestreden besluit geheel in stand te laten.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, dus in totaal € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 maart 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door de gemeente ’s-Hertogenbosch aan de griffier van de Raad;

Veroordeelt de gemeente ’s-Hertogenbosch tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van € 1.500,-;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Hertogenbosch aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 347,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

Q