Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
06-4522 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4522 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2006, 05/5613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene]

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.M. Karstens, advocaat te Barendrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [V.d. L.], werkzaam bij de gemeente Schiedam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K.J. Hoogerwerf.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontvangt sinds 19 november 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Betrokkene is inwonend bij haar beide ouders op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Blijkens informatie uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat sedert 17 oktober 2003 een vierde persoon, te weten [V.] (hierna: [V.]), op dat adres ingeschreven. Deze informatie was aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is een huisbezoek aan de woning van betrokkene gebracht en hebben betrokkene en [V.] verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 maart 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 1 april 2005 de aan betrokkene verleende bijstand met ingang van 1 februari 2005 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij besluit van 17 mei 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 17 oktober 2003 ingetrokken en de over de periode van 17 oktober 2003 tot en met 31 januari 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.515,69 (bruto) van betrokkene teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene, zonder daarvan aan appellant mededeling te hebben gedaan, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [V.].

Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 1 april 2005 en 17 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2005 gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij het besluit van 17 oktober 2005 heeft nagelaten te motiveren waarom het advies van de Bezwaarschriftencommissie niet is gevolgd, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 17 oktober 2005 niet in stand kan blijven nu appellant zijn standpunt heeft gewijzigd met betrekking tot de periode van 17 oktober 2003 tot 1 december 2004. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken onvoldoende zwaarwegende omstandigheden blijken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van wederzijdse zorg. De rechtbank heeft het besluit van 17 oktober 2005 wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:13 van de Awb vernietigd.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat appellant met het besluit van 17 oktober 2005 is afgeweken van het advies van de Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Schiedam van 10 augustus 2005, zodat appellant ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Awb in de beslissing de reden van die afwijking dient te vermelden en het advies met de beslissing dient mee te zenden. Anders dan de rechtbank volgt de Raad evenwel appellant in zijn stelling dat hij in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de Bezwaarschriftencommissie is afgeweken, nu in het advies van de afdeling inkomen van de gemeente Schiedam van 15 september 2005, dat in het bestreden besluit als herhaald en ingelast wordt beschouwd, de reden van afwijking naar het oordeel van de Raad voldoende is gemotiveerd. Van strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep van appellant doel en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd behoudens voor zover het betreft de proceskosten en het griffierecht.

De Raad zal de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar zelf een oordeel ten gronde geven.

De Raad stelt vast dat appellant zijn standpunt in beroep heeft gewijzigd in die zin dat de intrekking van bijstand en de terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand worden beperkt tot de periode vanaf 1 december 2004, hetgeen volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 december 2004 tot en met 1 april 2005, de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat het beroep van betrokkene gegrond moet worden verklaard en het besluit van 17 oktober 2005 dient te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 17 oktober 2003 tot 1 december 2004 en op de terugvordering in zijn geheel, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Het voorgaande klemt te meer, nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert.

Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit van 17 oktober 2005 in stand kan blijven voor zover het betreft de periode van 1 december 2004 tot en met 1 april 2005 overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Vaststaat dat betrokkene en [V.] sinds 17 oktober 2003 hun hoofdverblijf hebben in de woning van de ouders van betrokkene, zodat ten tijde in geding aan het eerste criterium was voldaan. Ten aanzien van de vraag of tevens aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan overweegt de Raad het volgende.

Naar vaste rechtspraak kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, bezien in onderling verband en samenhang, voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat er op 1 december 2004 sprake was van wederzijdse zorg. De Raad kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan de door betrokkene en [V.] op 31 mei 2005 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. [V.] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard ter zake van zijn relatie met betrokkene, waarbij betrokkene [S.] wordt genoemd: ”Ik heb nu zo’n zes maanden een relatie met [S.]… [S.] regelt sinds zes maanden mijn geldzaken. Zij maakt af en toe geld voor mij over. Als wij eens een weekendje op vakantie gingen dan deelden we de kosten. Wij gingen dan met mijn auto…We gingen weleens een patatje eten. De ene keer betaalde ik, de andere keer betaalde zij.”. Voorts acht de Raad van belang dat betrokkene en [V.] samen de beschikking hebben over een slaapkamer en dat de kleding van betrokkene en [V.] in de kledingkast op de slaapkamer hangt. Dat beiden kostgeld betalen aan de ouders van betrokkene doet naar het oordeel van de Raad aan het voorgaande niet af.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Raad voldoende komen vast te staan dat sprake was van wederzijdse zorg, zodat betrokkene en [V.] over de periode van 1 december 2004 tot 1 april 2005 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Betrokkene kon derhalve niet worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht op algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande over de periode 1 december 2004 tot en met 1 april 2005. Door hiervan geen mededeling te doen aan appellant heeft betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op het voorgaande was appellant bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 december 2004 tot 1 april 2005. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

De Raad zal appellant opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen ten aanzien van de terugvordering met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij een beslissing is gegeven over het griffierecht en de proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 oktober 2005 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 17 oktober 2003 tot 1 december 2004 en op de terugvordering;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ