Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
05/6987 AW, 06/2455 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee beoordelaars vereist. Bezwaar niet beoordeeld door voltallige bezwarencommissie. Niet voortzetten dienstverband.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/584
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6987 AW

06/2455 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2005, 05/65 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 19 januari 2006 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch en door [B.] en [L.], beiden werkzaam bij de gemeente Breda. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Pasman, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene werkte sinds augustus 2002 als uitzendkracht bij de gemeente Breda; vanaf 3 februari 2003 was zij werkzaam als medewerker uitvoering kinderopvang. Bij besluit van 26 maart 2003 heeft appellant haar met ingang van 1 april 2003 aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar in de functie van mede-werker uitvoering kinderopvang bij de dienst Sociale Zaken, Arbeidsmarktbeleid en Welzijn.

1.2. Leidinggevende van betrokkene was aanvankelijk M. Nadat deze uit haar functie was ontheven heeft vanaf medio september 2003 B als (waarnemend) leidinggevende gefungeerd. Op 8 oktober 2003 heeft een functioneringsgesprek plaatsgehad tussen betrokkene en B. Volgens het verslag was het op dat moment nog te vroeg om een volledig beeld te hebben van het functioneren van betrokkene. Afgesproken werd dat in december 2003 een beoordeling zou plaatsvinden. Volgens de beoordelingslijst, opgemaakt door B op 15 december 2003, scoorde betrokkene op vrijwel alle onderdelen een onvoldoende. Naar aanleiding van de ingebrachte bedenkingen zijn betrokkene, de vakdirecteur Welzijn en leidinggevende B gehoord door het hoofd van dienst.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2004 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat de beoordeling ongewijzigd is vastgesteld, dat appellant op grond van de vastgestelde beoordeling een voortzetting van het dienstverband ongewenst acht en dat de aanstelling van betrokkene op 1 april 2004 van rechtswege eindigt. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 3 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe is overwogen dat bij de beoordeling ten onrechte geen medebeoordelaar is betrokken, dat van de bezwaaradvies-commissie niet deel heeft uitgemaakt een lid aangewezen door een ambtenarenorgani-satie, en dat essentiële delen van de beoordeling niet zijn geconcretiseerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat nu het besluit tot vaststelling van de beoordeling in rechte geen stand houdt, ook de basis vervalt voor het besluit de tijdelijke aanstelling van betrokkene niet voort te zetten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De beoordeling

3.1.1. Met betrekking tot de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zonder deugdelijke reden niet tevens een medebeoordelaar bij de beoordeling is betrokken overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 15:1:15:4, tweede lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Bredase uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) wordt voor het opmaken van een beoordeling in de regel meer dan één beoordelaar aangewezen. In elk geval wordt als zodanig aangewezen de directe hiërarchische chef van de betrokken ambtenaar.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 23 september 2004, LJN AR2704 en TAR 2004, 159) zal, gegeven dit uitgangspunt dat mede ter bevordering van de objectiviteit van de beoordeling naast de directe chef nog iemand anders (dit zal meestal diens chef zijn) zijn oordeel geeft over de functievervulling door de beoordeelde, niet te snel kunnen worden afgeweken van de hoofdregel dat meer dan één beoordelaar wordt aangewezen. Zeker indien sprake is van lage tot zeer lage scores of indien gesteld wordt dat samenwerkingsproblemen bestaan is het van belang dat iedere schijn van een gebrek aan objectiviteit wordt vermeden. Dit kan geschieden door een tweede beoordelaar aan te wijzen of, indien zulks onmogelijk is, een of meer informanten.

3.1.2. De Raad is van oordeel dat het in dit geval om verscheidene redenen aangewezen was dat naast de direct leidinggevende nog een ander zijn oordeel gaf. Niet alleen was er sprake van lage scores en van samenwerkingsproblemen, maar bovendien had de direct leidinggevende slechts de laatste drie maanden van de beoordelingsperiode veelvuldig met betrokkene te maken gehad.

Appellant heeft hier uitsluitend tegenover gesteld dat het onwenselijk was de vorige leidinggevende als mede-beoordelaar te laten optreden, omdat het haar mogelijk aan objectiviteit zou ontbreken. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt waarom niet een ander, bijvoorbeeld de verantwoordelijke vakdirecteur, als medebeoordelaar kon worden aangewezen, dan wel aan een of meer van de personen met wie betrokkene functioneel te maken had kon worden gevraagd als informant op te treden.

De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat deze grief van appellant geen doel treft.

3.1.3. Appellant heeft voorts de grief geuit, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij een onzorgvuldige bezwarenprocedure heeft gevoerd doordat, in strijd met het bepaalde in artikel 15:1:15:10, eerste lid, CAR/BUWO, een van de leden van de adviescommissie beoordeling ontbrak, te weten het lid, aan te wijzen door de bij het gemeentelijk overleg in personeelszaken betrokken ambtenarenorganisaties.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van appellant desgevraagd geen verklaring kunnen geven voor deze onvolledige samenstelling van de commissie. Deze onvolledigheid acht de Raad des te meer bevreemdend nu genoemd artikel ervan uitgaat dat voor ieder lid van de commissie tevens een plaatsvervanger wordt aangewezen.

De Raad kan niet inzien wat de relevantie is van de stelling van appellant dat het hier geen bezwarencommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene bestuursrecht (Awb) betreft, maar een hoorcommissie als bedoeld in artikel 7:5 van de Awb. Nu de eigen gemeentelijke verordening van appellant ondubbelzinnig voorschrijft dat de commissie uit drie leden bestaat, kan in artikel van de 7:5 Awb geen vrijbrief worden gelezen om naar believen af te wijken van dat voorschrift. Dit klemt te meer nu het een negatieve beoordeling met vergaande consequenties voor betrokkene betrof. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat betrokkene door deze schending van een vormvoorschrift niet in haar belangen is geschaad. Voorts kan het feit, waarop nog door appellant is gewezen, dat aan de bezwarenprocedure een uitgebreide bedenkingenprocedure met hoor en wederhoor vooraf is gegaan, dit gebrek aan de bezwarenprocedure niet wegnemen.

3.1.4. De hierboven beschreven onregelmatigheden leiden ook de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de beoordeling, dient te worden vernietigd. Nu het gebrek dat aan het (primaire) besluit van 18 februari 2004 tot vaststelling van de beoordeling kleeft, vanwege het tijdsverloop in redelijkheid niet meer kan worden hersteld, zal de Raad dat besluit herroepen.

3.2. De niet-voortzetting van de tijdelijke aanstelling

3.2.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zelfs indien de gegeven feitelijke voorbeelden van kritiek op het functioneren van betrokkene onvoldoende waren om de beoordeling in voldoende mate te staven, hij nog op voldoende gronden tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet heeft voldaan aan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen, en dat appellant derhalve bevoegd was het tijdelijk dienstverband van betrokkene te beëindigen. Appellant heeft daartoe gewezen op een aantal door hem naderhand ingebrachte gedingstukken, op grond waarvan zijns inziens geconcludeerd moet worden, dat het besluit tot niet-voortzetting van het tijdelijk dienstverband van betrokkene wel degelijk op voldoende gronden berustte.

3.2.2. De Raad volgt appellant in deze grief. Uit de gedingstukken, waaronder zeer kritische verklaringen van een aantal collega’s, e-mails die betrokkene met haar leidinggevende wisselde, onder meer over haar niet-verschijnen op afspraken, en een overzicht van haar (beperkte) productie aan vergunningen, blijkt ook naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat betrokkene op essentiële punten tekortschoot. Zij slaagde er onvoldoende in haar werk te structureren, wist niet de juiste prioriteiten te stellen, en kwam bij haar taak inzake vergunningverlening tot onvoldoende productie. Voorts toonde zij zich onvoldoende bereid haar werkzaamheden met collega’s af te stemmen en stelde zij zich onvoldoende open voor suggesties en kritiek van collega’s en leidinggevenden. Daarbij gaf zij er geregeld blijk van haar plaats in de organisatie niet te kennen en niet te beseffen wat het werken in een ambtelijke en politiek-bestuurlijke context vereist. Tekenend acht de Raad haar weigering in gesprek te gaan met haar leidinggevende en een collega over de onderlinge samenwerking, omdat ze dat niet nuttig vond en niet met anderen in discussie wilde gaan over haar werkzaamheden. Ook acht de Raad voldoende aannemelijk dat zij pas na herhaald aandringen van haar leidinggevende bereid was haar onverdeelde aandacht te wijden aan de voorbereiding van een aantal vergunningen, die naar zij moest weten voor de wethouder en de ambtelijke leiding de hoogste prioriteit hadden.

3.2.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Het in geding zijnde besluit tot (handhaving van het besluit tot) niet-voortzetting van het tijdelijk dienstverband van betrokkene houdt derhalve stand. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Daarmee ontvalt tevens de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nadere besluit van 19 januari 2006, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de beoordeling, behoudens de opdracht ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Herroep het primaire besluit van 18 februari 2004 voor zover betrekking hebbend op de vaststelling van de beoordeling;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de handhaving van het besluit tot niet-voortzetting van de tijdelijke aanstelling gegrond is verklaard en het bestreden besluit van 3 december 2004 in zoverre is vernietigd;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre ongegrond;

Vernietigt het nadere besluit van 19 januari 2006;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD