Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
05-6765 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling inzake majoor bij de Koninklijke landmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6765 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2005, 04/5127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Divisie Logistiek Commando (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Voor appellant is verschenen mr. D.E. Lof, werkzaam bij VBM/NOV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, majoor bij de Koninklijke landmacht, was ten tijde van belang werkzaam als Commandant 150 Gemengde compagnie.

Ten aanzien van het functioneren van appellant in deze functie is over de periode van 8 november 2002 tot 23 januari 2004 een beoordeling opgemaakt door zijn leidinggevende (hierna: leidinggevende) en de commandant. Na door appellant daartegen ingediende bedenkingen, heeft de commandant die beoordeling bij besluit van 18 maart 2004 ongewijzigd vastgesteld. Het door appellant daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 november 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het beoordelingstijdvak geen functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden dat voldoet aan de daarover in de Beleids-regel functioneringsgesprekken en beoordelingen defensie (hierna: beleidsregel) neergelegde bepalingen.

De commandant betwist dit standpunt van appellant.

4. De Raad overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 131a, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, voor zover thans van belang, wordt een beoordeling opgemaakt indien de commandant dit wenselijk vindt.

Ingevolge het tiende lid van dit artikel stelt de minister beleidsregels ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen. Dat is geschied in de beleidsregel. In artikel 14, derde lid, daarvan is bepaald dat in het beoordelingstijdvak in beginsel ten minste één functioneringsgesprek dient te hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad strekt dit laatste artikel ertoe dat de betrokken militair gedurende het beoordelingstijdvak niet in het ongewisse wordt gelaten omtrent zijn functioneren maar dat daaraan concreet aandacht wordt besteed ten einde hem zonodig te bewegen daarin verbeteringen aan te brengen.

4.2. Niet is betwist dat de leidinggevende op 13 juli 2003, 11 september 2003, 7 oktober 2003, 8 december 2003 en 5 januari 2004 gesprekken met appellant heeft gevoerd waarin zijn functioneren aan de orde is gesteld. In hoger beroep is evenmin betwist dat de leidinggevende in die gesprekken heeft uitgesproken dat het functioneren op diverse aspecten tekortschoot en dat hij verbeterpunten heeft aangegeven. Gelet op de strekking van artikel 14 van de beleidsregel is in de omstandigheid dat van die gesprekken, behoudens dat van 5 januari 2004, geen verslag is gemaakt en dat ten aanzien van laatstgenoemd gesprek de beleidsregels betreffende het houden van functionerings-gesprekken niet geheel zijn gevolgd, onvoldoende grond te vinden voor het oordeel dat in het geheel geen functioneringsgesprek zou hebben plaatsgevonden en dat daarom afgezien had moeten worden van het opmaken van een beoordeling. Met betrekking tot appellants klacht dat het gesprek van 5 januari 2004 een eenzijdig karakter droeg merkt de Raad op dat het op de weg van appellant had gelegen de eenzijdigheid weg te nemen door zijn eigen zienswijze naar voren te brengen. Appellant kan gelet op het voorgaande evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat hem voorafgaande aan zijn beoordeling onvoldoende kans is geboden zijn functioneren te verbeteren.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD