Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB7264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
06/2970 WWB, 06/2971 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2970 WWB

06/2971 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2006, 05/3056 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Vermeulen, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007, waar appellanten zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. Vermeulen. Het Dagelijks Bestuur is verschenen bij zijn gemachtigde mr. J. Houtsma, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, sedert 1 januari 2004 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van een heronderzoek heeft het Dagelijks Bestuur appellanten opgeroepen om op 26 mei 2004 te verschijnen op het spreekuur van de GGD. Daar zijn appellanten zonder enig bericht niet verschenen. Ook aan een tweede oproep om op 8 juni 2004 bij de GGD te verschijnen is, zonder enig bericht, geen gehoor gegeven. Het Dagelijks Bestuur heeft hierop besloten om op 30 augustus 2004 een huisbezoek bij appellanten af te leggen, waarvan appellanten bij brief van 26 augustus 2004 op de hoogte zijn gesteld. Omdat appellanten niet thuis waren of niet open deden bij het huisbezoek is de bijstand van appellanten bij besluit van 30 augustus 2004 opgeschort. Aan appellanten is de gelegenheid geboden hun verzuim te herstellen bij een op 6 september 2004 af te leggen huisbezoek. Ook toen heeft het huisbezoek geen doorgang kunnen vinden.

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand met ingang van 30 augustus 2004 ingetrokken, onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

Bij besluit van 14 maart 2005, heeft het Dagelijks Bestuur de bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 30 augustus 2004 geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de in het besluit van 14 maart 2005 gehandhaafde intrekking van de bijstand ingaande 30 augustus 2004 in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand staat ter beoordeling of appellanten verzuimd hebben binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit (nogmaals) verzochte medewerking aan het huisbezoek te verlenen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of betrokkenen hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

De Raad stelt voorop dat, gelet op de voorgeschiedenis en de inmiddels ontstane situatie, waarbij appellanten er bewust voor hebben gekozen tijdelijk een isolement te zoeken althans elke vorm van communicatie met (medewerkers van) het College te mijden, een redelijke grond voor een huisbezoek aanwezig was. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat de GGD-keuring eind 2002 juist via een huisbezoek is uitgevoerd omdat appellanten toen hadden aangegeven vanwege hun stoornis absoluut niet naar de GGD-vestiging te kunnen komen.

Appellanten kan voorts worden aangerekend dat zij ten tijde in geding door hun opstelling hebben volhard in de weigering een huisbezoek mogelijk te maken. In dat verband merkt de Raad nog op dat appellanten weliswaar ontheven waren van arbeidsverplichtingen op medische gronden, alsmede dat er sprake was van enige psychische problematiek, maar uit niets blijkt dat er medische beperkingen waren die hen (beiden en tegelijkertijd) zouden beletten mee te werken aan een huisbezoek. Niet valt in te zien dat appellanten niet ten minste schriftelijk zouden hebben kunnen reageren op de aankondiging van de voorgenomen huisbezoeken, te minder nu zij kennelijk wel in staat waren zelf een bezwaarschrift te schrijven en bij het College in te dienen. Dat appellanten destijds gedurende langere tijd afwezig waren en daardoor niet tijdig hebben kunnen reageren, is overigens niet gesteld of gebleken.

In hetgeen namens appellanten naar voren is gebracht, ziet de Raad met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand van appellanten gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

IJ