Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
06-6898 WWB 06-6899 WWb 06-6900 WWB 07-5758 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering wegens geen gevolg geven aan oproep inlichtingen te verstrekken. Afwijzing langdurigheidtoeslag. Bij nader besluit toekenning langdurigheidstoeslag naar norm alleenstaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6898 WWB

06/6899 WWB

06/6900 WWB

07/5758 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 oktober 2006, 06/74, 06/1294 en 06/1295 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Huijgens, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving sedert 1995 een bijstandsuitkering laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij brief van 20 juni 2005 heeft het College appellant bevestigd dat tijdens een met hem op 15 juni 2005 gehouden gesprek een afspraak is gemaakt voor een nieuw gesprek op 22 juni 2005. Daarbij is appellant meegedeeld dat hij samen met zijn partner dient te komen, dat hij tevens de financiële gegevens met betrekking tot inkomsten en vermogen van zijn partner dient mee te brengen en dat de bijstand zal worden ingetrokken indien hij op 22 juni 2005 niet verschijnt.

Bij besluit van 24 juni 2005, zoals gewijzigd bij besluit van 8 augustus 2005, heeft het College het recht op bijstand opgeschort met ingang van 22 juni 2005 op de grond dat appellant zonder geldige reden geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 22 juni 2005. Appellant is in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door op 29 juni 2005 voor een gesprek te verschijnen.

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 22 juni 2005 ingetrokken op de grond dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan oproepen om inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de voortzetting van de bijstand en dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of appellant nog langer recht heeft op bijstand.

Bij besluit van 30 september 2005 heeft het College de aanvraag om een langdurigheidstoeslag van 30 mei 2005 afgewezen op de grond dat appellant niet gedurende minimaal 60 maanden ononderbroken een inkomen heeft genoten dat gelijk of lager is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 28 november 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 24 juni 2005, 10 augustus 2005 en 30 september 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College de intrekking van de bijstand alsnog gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de WWB. Aan de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag heeft het College alsnog ten grondslag gelegd dat appellant op 28 en 29 augustus 2001 werkzaamheden heeft verricht en daarmee een bedrag van € 88,51 heeft verdiend zodat hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB genoemde voorwaarde voor een langdurigheidstoeslag.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 28 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het College niet bevoegd was tot opschorting en intrekking omdat hem niet kan worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen om op 22 juni 2005 en 29 juni 2005 op gesprek te komen. Voorts heeft hij onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 juli 2005, LJN AY0161, aangevoerd dat in zijn geval artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten buiten toepassing dient te worden gelaten zodat zijn aanvraag ten onrechte op die grond is afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het College het besluit van 30 september 2005 herroepen en aan appellant per peildatum 30 mei 2005 alsnog langdurigheidstoeslag toegekend berekend naar het normbedrag voor een alleenstaande. Appellant heeft ter zitting meegedeeld zich niet te kunnen verenigen met het bedrag dat is toegekend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat het besluit van 1 oktober 2007 is aan te merken als een besluit dat op grond van de artikel 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling dient te worden betrokken.

De aangevallen uitspraak

Met betrekking tot de opschorting

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, danwel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Vaststaat dat appellant is opgeroepen voor een gesprek op 22 juni 2005 en dat hij niet is verschenen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hij zich tijdig en met een geldige reden voor dat gesprek heeft afgemeld. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant reeds op 15 juni 2005 ervan op de hoogte was dat hij op 22 juni 2005 om 14.00 op gesprek moest komen en dat hij zich eerst enkele uren tevoren heeft afgemeld. De Raad acht voorts van belang dat onduidelijk is gebleven om welke reden appellant zich heeft afgemeld.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank op dit punt en verwijst naar overweging 2.10 van de aangevallen uitspraak.

Het voorgaande betekent dat het College op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB bevoegd was het recht op bijstand met ingang van 22 juni 2005 op te schorten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 inzake de opschorting ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot de intrekking

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort intrekken.

Vaststaat dat appellant bij het besluit van 24 juni 2005 is opgeroepen voor een gesprek op 29 juni 2005 en dat hij zonder bericht van verhindering niet is verschenen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de in het besluit van 24 juni 2005 geboden hersteltermijn, gelet op de omstandigheid dat hij op 23 juni 2005 telefonisch aan het College heeft gemeld dat hij in België een woning aan het zoeken was en gelet op zijn psychische situatie, te kort was. De Raad overweegt daartoe allereerst dat appellant niet aan de hand van medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische situatie hem verhinderde om op 29 juni 2005 te verschijnen. Evenmin is gebleken dat appellant op 23 juni 2005 aan het College heeft meegedeeld hoe lang hij in België zou verblijven. De enkele mededeling van appellant dat hij in België een woning aan het zoeken was hoefde het College geen aanleiding te geven een langere hersteltermijn te bieden dan het heeft gedaan. De Raad tekent daarbij aan dat appellant, gelet op de inhoud van het telefoongesprek van 23 juni 2005, zoals die blijkt uit de in een rapportage van 29 juni 2005 gemaakte samenvatting daarvan, kon verwachten dat hij op korte termijn opnieuw voor een gesprek zou worden opgeroepen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen en dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 22 juni 2005 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 inzake de intrekking ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot de afwijzing van de langdurigheidstoeslag

Het College handhaaft zijn besluit van 28 november 2005 inzake de langdurigheidstoeslag niet langer. Gelet daarop komt het besluit van 28 november 2005 inzake de langdurigheidstoeslag voor vernietiging in aanmerking en dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

Het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2007

De Raad is met appellant van oordeel dat het College ten onrechte langdurigheidstoeslag heeft toegekend naar het normbedrag voor een alleenstaande in plaats van naar het normbedrag voor een alleenstaande ouder. De gemachtigde van het College heeft dit ter zitting ook erkend en de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het voorgaande zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2007 gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 36, vijfde lid, van de WWB vernietigen behoudens voor zover daarbij het besluit van 30 september 2005 is herroepen en bepalen dat aan appellant met ingang van 30 mei 2005 langdurigheidstoeslag wordt toegekend tot een bedrag zoals in 2005 gold voor een alleenstaande ouder (€ 418,--).

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 28 november 2005 inzake de opschorting en de intrekking ongegrond zijn verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 inzake de langdurigheidstoeslag ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 inzake de langdurigheidstoeslag gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 november 2005 inzake de langdurigheidstoeslag;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 oktober 2007, behoudens voor zover daarbij het besluit van 30 september 2005 is herroepen;

Bepaalt dat aan appellant de gevraagde langdurigheidstoeslag met ingang van

30 mei 2005 wordt toegekend tot een bedrag van € 418,--;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amersfoort aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amersfoort aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

BKH