Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
05/3696 WAO + 07/3794 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Nabetaling. Wettelijke rente.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3696 WAO + 07/3794 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 mei 2005, 04/671 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, jurist bij de Hout- en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Namens appellant is een aanvullend beroepschrift ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad van 28 maart 2007 heeft het Uwv een nader onderzoek ingesteld en op 30 mei 2007 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant. Bij brief van 28 juni 2007 is namens appellant hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2007. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als timmerman gedurende 37 uur per week toen hij op 5 februari 2001 uitviel met nek- en schouderklachten. Nadat de wettelijke wachttijd van 52 weken was verstreken is appellant met ingang van 4 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In verband met de verplichte herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid na één jaar is medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Op grond daarvan heeft het Uwv bij besluit van

22 oktober 2003 de uitkering van appellant met ingang van 18 december 2003 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 18 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het besluit van 18 mei 2004 (hierna: besluit 1) beroep bij de rechtbank ingesteld. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van besluit 1 onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.

De Raad stelt vast dat het Uwv besluit 1 in feite heeft ingetrokken en vervangen door het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van 30 mei 2007, dat inhoudt dat het bezwaar van appellant gegrond wordt verklaard en dat zijn uitkering ingevolge de WAO met ingang van 18 december 2003 wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Gelet op hetgeen van de zijde van appellant bij brief van 28 juni 2007 tegen het besluit van 30 mei 2007 (hierna: besluit 2) is aangevoerd gaat de Raad er van uit dat met besluit 2 niet volledig aan de grieven van appellant is tegemoet gekomen. Om deze reden wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Nu namens appellant in hoger beroep is verzocht om toekenning van schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente heeft, in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake, appellant nog belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1.

De Raad stelt vast dat in besluit 1 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant als bedoeld in de WAO met ingang van 18 december 2003 ten onrechte is vastgesteld op 15 tot 25%. Om deze reden zal de Raad besluit 1 vernietigen. De aangevallen uitspraak komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot het beroep dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

In hoger beroep zijn uitsluitend arbeidskundige gronden aangevoerd, die niet met de medische grondslag van besluit 2 zijn verweven. De Raad gaat daarom uit van het door de rechtbank gegeven oordeel waarbij de medische grondslag is onderschreven.

Blijkens het rapport van 29 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam is besluit 2 gebaseerd op de volgende drie functies, die appellant al eerder zijn voorgehouden in het kader van de schatting per einde wachttijd:

telefonist (SBC-code 315120),

receptionist (SBC-code 315150) en

meteropnemer (SBC-code 315181).

De Raad is niet gebleken dat appellant de werkzaamheden, behorende bij die functies, niet zou kunnen verrichten en naar zijn oordeel heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van appellant voor deze functies afdoende gemotiveerd.

Naar aanleiding van de kritiek van de gemachtigde van appellant op deze functies overweegt de Raad nog het volgende.

Wat betreft de geschiktheid van appellant voor de functies van telefonist en receptionist onderschrijft de Raad hetgeen hieromtrent is opgemerkt door de bezwaararbeidsdeskundigen M. Meertens en H.G. Coerts in hun respectievelijke rapportages van 28 april 2004 en 1 juli 2005. Appellant beschikt voorts over het voor de functies vereiste opleidingsniveau en voor geen van beide functies worden ervaringseisen gesteld. Het is duidelijk dat appellant minder affiniteit heeft met kantoorfuncties, maar niet kan worden gezegd dat om die reden administratieve functies niet zijn berekend voor de krachten en bekwaamheden van appellant.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met toepassing van de in het Besluit uurloonschatting 1999 (BUS) voorgeschreven bandbreedtemethode op de juiste wijze rekening gehouden met de urenomvang van de maatmanarbeid in vergelijking met die van de geduide functies. Anders dan de gemachtigde van appellant meent leidt de omstandigheid dat binnen een SBC-code geen 7 arbeidsplaatsen voorkomen met een ongeveer gelijke urenomvang als die van de maatmanfunctie er niet zonder meer toe dat een reductiefactor moet worden toegepast. Een reductiefactor is namelijk pas aan de orde wanneer de urenomvang van alle onder een SBC-code vallende functies kleiner is dan de urenomvang van de maatmanarbeid.

Dat is hier slechts het geval bij de functie van telefonist (SBC-code 315120) met een urenomvang van 36. De omvang van de maatmanarbeid is namelijk 37 uur. Bij deze functie is de reductiefactor berekend op 0,97. Onder de SBC-code 315150 (receptionist) bevinden zich zowel functies met een grotere als met een kleinere urenomvang dan de maatmanfunctie.

De gemachtigde van appellant heeft met juistheid aangevoerd dat twee functies, namelijk de functie van meteropnemer en de functie van chauffeur bloedbank binnen de (reserve) SBC-code 282101 avondwerkzaamheden kennen. Uit de arbeids-mogelijkhedenlijst van 29 mei 2007 blijkt echter ook dat dit geen functies zijn met wisselende diensten. De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat in deze functies een onregelmatigheidstoeslag betaald zou worden. Een situatie waarop artikel 9, aanhef en onder f. van het Schattingsbesluit, zoals dat luidde ten tijde van belang, betrekking heeft is dan ook niet aan de orde.

De Raad komt tot de slotsom dat besluit 2 in rechte stand houdt, zodat het mede daartegen gericht geachte beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om in verband met de hiervoor besproken vernietiging van besluit 1 en de aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

De Raad overweegt voorts dat uit de vernietiging van besluit 1 en het nemen door het Uwv van besluit 2 volgt dat het Uwv nalatig is gebleven uitkering te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vanaf 18 december 2003. Uit ’s Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN:ZB1495, volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in dit geval over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is gesteld moet worden op 1 januari 2004, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente als vorenbedoeld rekening dient te worden gehouden met hetgeen het Uwv krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 22 september 1995, LJN:ZF1824.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is weergegeven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- (€ 37,- + € 103,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL