Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
06/382 en 06/383 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie/(In)directe verrijking. In casu heeft het Uwv niet over de hele periode voldoende inzichtelijk gemaakt dat betrokkene door zijn arbeidsinspanning (in)direct is verrijkt.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/382 en 06/383 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 december 2005, 05/2458 en 05/2459 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Bogaardt, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden ter zitting van 31 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bogaardt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

De inleidende beroepen zijn gericht tegen de besluiten van 2 maart 2005 en 3 maart 2005, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluiten van 17 augustus 2004, respectievelijk 24 augustus 2004. Met het besluit van 17 augustus 2004 heeft het Uwv wegens aan appellant toegerekende arbeidsinkomsten de betaling van de aan hem toegekende WAO-uitkering over 2000 en 2001 met toepassing van artikel 44 van de WAO verlaagd als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Het besluit van 24 augustus 2004 strekt tot de terugvordering van de hierdoor te veel betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van (naar de Raad begrijpt:) € 7.862,11.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten.

Aan appellant is met ingang van 8 januari 1996 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf 1 oktober 1998 wordt pannenkoekenhuis “Pannekoekhuis [naam pannenkoekhuis]” aan de [adres] te

[vestigingsplaats] geëxploiteerd door [vriendin] (hierna: de vriendin). Vanaf datzelfde tijdstip fungeert appellant als volledig gemachtigd procuratiehouder met de titel van bedrijfsleider. Hij heeft, ook in 2000 en 2001, in de onderneming werkzaamheden verricht. Over 2000 is een winst gerealiseerd van € 13.768,60, over 2001 van

€ 14.801,-. Deze winst is tegenover de fiscus volledig verantwoord als door de vriendin gemaakte winst.

In afwijking van deze fiscale winstverdeling, heeft het Uwv de helft van de winst aan appellant toegerekend. Dit is gebeurd op basis van een onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een op 12 november 2003 gedateerd rapport werknemersfraude.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat appellant in hoger beroep uitdrukkelijk heeft ingestemd met het oordeel van de rechtbank dat hij ten tijde van belang mede heeft geprofiteerd van de mede door zijn arbeidsinzet tot stand gekomen ondernemingswinst gedurende het tijdvak dat hij met de vriendin heeft samengewoond. Ook is niet langer in geschil dat appellant in 2000 en 2001 arbeid van economische betekenis met een aantoonbare loonwaarde in de op naam van de vriendin geëxploiteerde onderneming heeft verricht.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de toerekening van de helft van die ondernemingswinst niet in overeenstemming is met de verhouding van de arbeidsinzet van appellant enerzijds en de vriendin anderzijds. De vriendin zou veel meer uren hebben gewerkt dan appellant.

Dat de vriendin in 2000 en 2001 meer uren heeft gewerkt dan appellant, blijkt niet uit verifieerbare gegevens. Appellant heeft nagelaten van zijn werkzaamheden aan het Uwv opgave te doen. Hij heeft als verdachte een verklaring afgelegd waaruit valt af te leiden dat hij steeds in het pannenkoekenhuis aanwezig was als de vriendin daar ook was: “ik ben er elke dag en wil niet dat Saskia er alleen is”. Getuigen bevestigen dat beiden steeds tegelijk in de eetgelegenheid aanwezig zijn en dat beeld wordt versterkt door observaties door de wijkagent. Appellant is bij alle belangrijke zakelijke besprekingen aanwezig, is werkzaam als kok, pleegt het onderhoud aan het restaurant en heeft het bijbehorende terras aangelegd. Verder beschikt appellant in vergelijking tot de vriendin verreweg over de meeste horeca- en zakelijke ervaring. Onder deze omstandigheden is het aan appellant om het bewijs te leveren van zijn stelling dat de vriendin ten tijde van belang een (substantieel) grotere arbeidsinbreng had dan appellant. Hij is hierin geenszins geslaagd. Daarom verwerpt de Raad deze beroepsgrond.

Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv van de terugvordering vanwege een dringende reden dient af te zien. Deze dringende reden bestaat hierin dat de vriendin (alsnog) een arbeidsbeloning verschuldigd wordt, indien de terugvordering stand houdt, terwijl haar ondernemingsresultaten een dergelijke vordering niet zouden verdragen. Anders dan appellant ziet de Raad, wat er overigens van de stelling van appellant zij, hierin geen dringende reden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering kan of moet worden afgezien.

Niettemin kunnen de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten niet in stand blijven. De reden daarvoor is dat het besluit van 2 maart 2005 onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en hierdoor in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit van 3 maart 2005 bouwt voort op het besluit van 2 maart 2005 en deelt in het lot van het op 2 maart 2005 geslagen besluit. Hiertoe overweegt de Raad het volgende.

Tussen partijen bestaat overeenstemming dat appellant niet rechtstreeks een beloning heeft ontvangen voor zijn arbeid in het pannenkoekenhuis. Ook de Raad gaat hiervan uit.

Voor de toepassing van artikel 44 van de WAO geldt als hoofdregel de voorwaarde dat de betrokkene arbeid heeft verricht en daarvoor een beloning heeft verkregen. In bijzondere gevallen moet voor de toepassing van de anticumulatiebepalingen in afwijking van deze hoofdregel worden aangenomen dat sprake is van inkomsten uit arbeid, hoewel deze feitelijk niet of tot een lager bedrag zijn ontvangen. Daarbij moet in het bijzonder worden gedacht aan de situatie dat een betrokkene arbeid om niet of voor een relatief lage (directe) beloning heeft verricht, maar door die arbeidsinspanning zichzelf direct of indirect heeft verrijkt.

In deze zaak heeft het Uwv nagelaten om voldoende inzichtelijk te maken op welke manier appellant door zijn arbeidsinspanningen in het pannenkoekenhuis (in-)direct is verrijkt. Deze onvolkomenheid is weggenomen voor zover appellant heeft erkend dat hij heeft meegeprofiteerd van de in de onderneming van de vriendin gerealiseerde winst. Die erkenning omvat echter alleen het tijdvak van samenwoning met de vriendin en die periode omvat, in de stellingen van appellant, slechts een deel van de hier van belang zijnde jaren.

De inleidende beroepen zijn gegrond. Het Uwv zal worden opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de door appellant ingestelde bezwaren. Hierbij dient het Uwv de uitspraak van de Raad in acht te nemen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv in deze samenhangende zaken in de proceskosten te veroordelen, aan de zijde van appellant wegens hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg en € 644,- voor het geding in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten van 2 maart 2005 en 3 maart 2005;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe beslissingen neemt op de bezwaren van appellant;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten ad € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;

Bepaalt voorts dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 177,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL