Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-6864 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6864 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 oktober 2005, 04/3115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 31 mei 2007 een rapport van 19 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2007. Appellant is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent bij de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van

21 september 2004 het besluit van 29 april 2004 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv per 14 juni 2004 de laatstelijk naar een mate van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering ingetrokken.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de (bezwaar)verzekeringsarts op goede gronden heeft aangenomen dat appellant beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden en in verband hiermee terecht de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen aanknopingspunten ziet om de FML voor onjuist te houden. Overwegende dat gesteld noch gebleken was dat de arbeidskundige grondslag ondeugdelijk is, heeft de rechtbank de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van appellants WAO-uitkering in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat de rechtbank er ten onrechte bij de aangevallen uitspraak aan voorbij is gegaan dat hij vele lichamelijke en geestelijke problemen had en heeft, waardoor hij zich volledig arbeidsongeschikt acht. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte de door appellant overgelegde medische stukken gepasseerd.

Nu het hoger beroep zich niet keert tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit beperkt de Raad zich tot bespreking van de medische grondslag.

In beroep noch in hoger beroep heeft appellant nieuwe medische gegevens ingezonden. De Raad begrijpt het hoger beroep van appellant aldus dat de in de bezwaarfase van de besluitvorming bekend geworden medische gegevens van zijn behandelende specialisten voor de rechtbank aanleiding hadden behoren te zijn voor een ander dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit.

De Raad kan appellant daarin niet volgen. De bezwaarverzekeringsarts

I.F.D. van den Bold heeft bij zijn rapport van 13 september 2004 verslag gedaan van zijn onderzoek. Dat bestond naast het bestuderen van de reeds in het dossier aanwezige medische gegevens, uit het bijwonen van de hoorzitting en het verrichten na afloop daarvan van eigen medisch onderzoek, inhoudende een uitgebreide anamnese, optekening van het dagverhaal van appellant en lichamelijk en psychisch onderzoek. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts inlichtingen verkregen van de behandelend maag-, darm-, leverarts en de behandelend orthopedisch chirurg van appellant. Op grond van al die gegevens is de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is de verzekeringsgeneeskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting te herzien.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing is aangevoerd geen aanknopingspunten om over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

TM