Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-4944 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4944 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juli 2005, 04/1969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is ter zitting op 27 juli 2007 aan de orde gesteld. Geen van beide partijen is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 19 maart 2004 is appellant per 1 maart 2004 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten en het Uwv opgedragen om aan appellant het griffierecht en de proceskosten (begroot op € 650,93) te vergoeden.

De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat in de voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunten zijn gevonden die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de medische grondslag van het besluit van 11 oktober 2004. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat – met de in beroep opgestelde en ingebrachte rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen R.A. Hanssen en mr. J.J. van der Naald van

9 december 2004 en 8 maart 2005 – afdoende is toegelicht dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat niet is kunnen blijken dat bij de vaststelling van het maatmanloon ten onrechte geen rekening is gehouden met een loonsverhoging op grond van de CAO Metaal en Techniek, nu het door appellant ten bewijze van zijn stelling overgelegde stuk gelet op artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te laat is ingediend en bovendien niet duidelijk is dat dit stuk een deel van de betreffende CAO weergeeft.

In hoger beroep heeft appellant – herhalende hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht en onder verwijzing naar het rapport van de door hem geraadpleegde externe arbeidsdeskundige C.G. Litjens van 24 januari 2005 – aangevoerd dat de geselecteerde functies en reservefuncties gelet op zijn visusproblemen een verhoogd risico op ongevallen kennen en om die reden voor hem niet passend zijn. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat in de functie van productiemedewerker machinaal inpakken (SBC 111175) op een gladde vloer gewerkt moet worden, dat in de functie van machinebediende inpakmachine (SBC 271093) met een snijmachine gewerkt moet worden, dat in de functie van controleur elektrotechnische apparatuur (SBC 267060) details moeten kunnen worden onderscheiden en dat in de reservefunctie van procesoperator niet voedingsmiddelenindustrie (SBC 471101) met een heftruck gereden moet worden. Ten slotte heeft appellant zijn stelling dat het maatmanloon te laag is vastgesteld, herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond is om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig dan wel onjuist is vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

De belastbaarheid van appellant is na verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de arts drs. N.P. Pappas weergegeven in de op 1 maart 2004 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML). Volgens deze FML ondervindt appellant vanwege zijn visusproblemen beperkingen op de volgende onderdelen:

-onderdeel 1.9 (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid):

‘…de cliënt is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico …vanwege visusklachten gelden beperkingen met betrekking tot diepte-zien, werken op hoogte, werken op onregelmatige ondergrond, werken in de buurt van bewegende cq. hete machines.’

-onderdeel 2.1 (zien):

‘… Rechteroog: visus 65%. Linkeroog: tussen ongeveer een halve meter en 15 meter kan bl zien. Het samenspel van beide ogen is beperkt, een goede concentratie is vereist houdt bl dit maximaal 45 minuten aaneengesloten vol …Forse hoofdpijnklachten.’

-onderdeel 2.5 (lezen):

‘… maximaal 45 minuten aaneengesloten mogelijk. Dit geldt tevens voor beeldschermwerk.’

-onderdeel 2.10 (vervoer):

‘… is voor vervoer aangewezen op hulp van anderen …bl kan autorijden, echter slecht beperkt qua aaneengesloten duur: maximaal 45 minuten. Beroepshalve rijden is derhalve beperkt.’

-onderdeel 3.10 (specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke werkomgeving):

‘…niet geschikt voor frequent wisselende lichtomstandigheden in de werkomgeving.’

-onderdeel 4.6 (werken met toetsenbord en muis):

‘… kan gedurende minder dan een half uur per werkdag toetsenbord bedienen en muis hanteren’

Bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch heeft in haar rapport van 4 augustus 2004 aangegeven volledig akkoord te gaan met de beperkingen zoals weergegeven in deze FML. In haar brief van 21 februari 2005 heeft zij dit standpunt herhaald.

De Raad constateert dat de stelling van appellant dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen, omdat hij door zijn visusproblemen een verhoogd risico loopt bij het werken op gladde vloeren, met snijmachines en bij het rijden met een heftruck, geen steun vindt in de FML. In het licht hiervan merkt de Raad – anders dan de rechtbank – deze stelling van appellant dan ook aan als een betwisting van de juistheid van de FML van

1 maart 2004 en derhalve van de medische grondslag van het besluit van

11 oktober 2004.

Desalniettemin ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig dan wel onjuist is vastgesteld. Daartoe wijst de Raad op de conclusies van bezwaarverzekeringsarts Kerbusch ten aanzien van zowel de belastbaarheid van appellant als de weergave daarvan in de FML. Verder weegt de Raad mee dat uit de voorhanden zijnde medische stukken geenszins blijkt dat appellant meer dan wel anderszins beperkt is dan in de FML is weergegeven.

De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat appellant gelet op zijn beperkingen in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Daartoe wijst de Raad op de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen Hanssen en Van der Naald van

9 december 2004 en 8 maart 2005, waarin op inzichtelijke wijze is weergegeven dat uitgaande van de FML de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Gelet op deze rapporten, met name het rapport van Van der Naald, is de Raad van oordeel dat de conclusies van de door appellant geraadpleegde arbeidsdeskundige Litjens verworpen moeten worden, zulks mede omdat deze diens oordeel over de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant niet enkel heeft gebaseerd op de in de FML opgenomen beperkingen maar tevens op de door appellant meer of anderszins ervaren beperkingen.

Aan de stelling van appellant dat zijn maatmanloon te laag is vastgesteld, komt de Raad niet toe, reeds omdat een verhoging van het maatmanloon met 2,5% niet leidt tot indeling in een hogere klasse van arbeidsongeschiktheid.

Het is de Raad, uitgaande van de op 1 maart 2004 vastgestelde FML, niet gebleken dat appellant op de datum in geding, 1 maart 2004, niet in staat kon worden geacht tot het vervullen van de geselecteerde functies, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en H. Bolt en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL