Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-4424 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4424 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 juni 2005, 03/1045 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Appellante is in persoon verschenen, terwijl het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad het volgende:

“Eiseres is op 6 april 1998 uitgevallen voor haar werkzaamheden als freelance musicus en columniste in verband met whiplashklachten en rugklachten als gevolg van een aanrijding. Bij besluit van 10 juni 1999 heeft verweerder eiseres met ingang van

5 april 1999 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Verweerder is bij het bestreden besluit, onder handhaving van het besluit van 19 mei 2003, op het standpunt blijven staan dat de uitkering van eiseres krachtens de WAZ met ingang van 15 juni 2003 moet worden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, omdat eiseres per deze datum in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te verrichten en met deze functies een zodanig inkomen te kunnen verdienen dat er sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit dat ligt tussen de 55 en 65%. Verweerder heeft zich in dezen gebaseerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 28 september 2003, welke arts zich heeft aangesloten bij het oordeel van de primaire verzekeringsarts M. Al-Ali, zoals vervat in zijn rapportage van 3 maart 2003. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangegeven dat eiseres in staat is om gedurende 20 uur per week arbeid te verrichten met inachtneming van de beperkingen zoals deze zijn aangegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Voorts heeft verweerder zijn besluit gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige

S. Jansen van 1 april 2003.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat haar beperkingen onvoldoende zijn erkend en dat zij de functies als gevolg van haar medische beperkingen niet kan verrichten. Eiseres stelt dat, gelet op haar schouder- en armklachten, repetitieve bewegingen niet mogelijk zijn. Voorts heeft eiseres betoogd dat zij wat betreft de functies van telefoniste orderacceptatie niet voldoet aan de vereiste vooropleiding en geen ervaring heeft, zij wat de functies van telefonist, receptionist, typist niet het vereiste diploma heeft en zij evenmin voldoet aan de snelheidsvereisten, en zij wat betreft de functie coupeuse niet de vereiste beroepsgerichte vooropleiding heeft. Ten slotte heeft eiseres betoogd dat het maatmanloon alleen had mogen worden gebaseerd op de nettowinst die zij heeft behaald met haar bedrijf in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, aangezien haar bedrijf in de opbouwfase zat en de groei en het succes van de zaak pas aan het eind bleek.”

De rechtbank Dordrecht heeft, na raadpleging van de revalidatiearts prof.dr. H.J. Stam als deskundige, het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar reeds naar voren gebrachte grieven in grote lijnen herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Voor wat betreft de medische kant van de schatting zij herhaald dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen en dat van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken de Raad niet is gebleken. Aan de eigen, niet met nadere medische gegevens uit bijvoorbeeld de behandelende sector onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.

Voor wat betreft de arbeidskundige kant wijst de Raad, in aanvulling op en ter onderschrijving van hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, op zijn uitspraken van bijvoorbeeld 4 maart 2003, LJN: AF7494 inzake de vaststelling van het maatmaninkomen van zelfstandigen en van 11 juli 2000, LJN: AE8596 inzake de door het Uwv gekozen benadering van de door appellante genoten opleiding(en). Het betoog van appellante geeft de Raad geen aanleiding deze rechtspraak te verlaten.

Ter zitting heeft appellante nog toegevoegd dat haar bezwaren tegen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit ook hierin bestaan dat zij de mening is toegedaan dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid ten onrechte is bepaald aan de hand van loondienst-functies. De Raad begrijpt die stelling zo dat zij meent dat van een zelfstandige zoals zij niet kan worden verlangd om in loondienst te gaan werken.

Ook deze grief kan niet slagen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

11 maart 2003, LJN: AF8462, laat het feit dat een verzekerde ongeschikt is voor de eigen werkzaamheden als zelfstandige onverlet dat de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAZ wordt bepaald op basis van functies in loondienst. In dit verband heeft de Raad in die uitspraak verwezen naar artikel 2, eerste lid, van de WAZ waarin, voor zover van belang, is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen alsmede naar artikel 2, vierde lid, van de WAZ, ingevolge welke bepaling onder arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Hieruit volgt dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft beoordeeld aan de hand van haar geschiktheid voor loondienstfuncties.

De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

JL