Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
06-4301 AW en 06-4302 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering: niet voldaan aan de eisen dat het waarderingsbesluit voldoende zorgvuldig moet worden voorbereid en dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4301 AW en 06/4302 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], en

2. [appellant 2], wonende te [woonplaats],

(hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Assen van 30 mei 2006, 05/1227 en 05/1228 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de EMCO-groep (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 18 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Ieder van appellanten heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2007. De zaken zijn gevoegd behandeld. Appellanten zijn verschenen met bijstand van mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen, alsmede door H.G. Heegen en B.J. van der Spoel, beiden werkzaam bij de EMCO-groep.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren ten tijde hier van belang als afdelingschef Tuinbouw werkzaam bij de EMCO-groep. Bij besluiten gedateerd januari 2005 heeft het bestuur de beschrijving en de waardering van hun functies vastgesteld. De uitkomst van de waardering is vastgesteld op hoofdgroep III met 13 punten voor de secundaire factoren, hetgeen overeenkomt met een indeling in schaal 8.

1.2. Bij de bestreden besluiten van 7 september 2005, zoals aangevuld op 6 oktober 2005, heeft het bestuur, na bezwaar, een extra punt toegekend voor het gezichtspunt leiding-geven, hetgeen echter niet leidt tot indeling in een hogere schaal. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge de Regeling functiebeschrijving en -waardering EMCO-groep 2002 wordt de organieke functie beschreven en bestaat de mogelijkheid daarbij extra taken van de betrokkene te vermelden die buiten de organieke functiebeschrijving zijn gebleven. De aldus beschreven functie wordt gewaardeerd met toepassing van het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS) 2000. Dit systeem voorziet in indeling van de functie in een hoofdgroep op basis van het werk- en denkniveau, gevolgd door toekenning van een puntenscore voor vijf secundaire factoren (gezichtspunten).

2.2. De beschrijvingen van de functies van appellanten staan vast. De door appellanten op het fuwa-reactieformulier voorgestelde individuele aanvullingen op de beschrijving van de organieke functie zijn door het bestuur aanvaard. Blijkens het verhandelde ter zitting is ook de indeling in hoofdgroep III niet langer in geschil.

2.3. Partijen worden uitsluitend verdeeld gehouden door de weigering van het bestuur om voor het gezichtspunt functionele vorming drie in plaats van twee punten toe te kennen. Ingevolge het OFS worden twee punten toegekend indien na de beroepsopleiding meer dan één tot maximaal twee jaar school- en/of praktijkopleiding nodig is. Een score van drie punten staat voor meer dan twee tot maximaal vier jaar school- en/of praktijkopleiding. Uit de toelichting komt onder meer naar voren dat het bij functionele vorming gaat om aspecten die in de beroepsopleiding niet of nauwelijks zijn behandeld, dat praktijkervaring mede als kennisvermeerdering in aanmerking wordt genomen en dat ook kennis die nodig is om leiding te kunnen geven of voor het kunnen hebben van (ingewikkelde) contacten bij dit gezichtspunt dient te worden gewaardeerd.

2.4. De Raad stelt voorop dat de rechterlijke toetsing hier een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van de bestreden besluiten aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Dit neemt echter niet weg dat een waarderingsbesluit voldoende zorgvuldig moet worden voorbereid en dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.5. Aan laatstgenoemde eisen voldoen de bestreden besluiten naar het oordeel van de Raad niet. Bij deze besluiten is afgeweken van de adviezen van de Bezwaren- en Geschillencommissie, waarin is gesteld dat acquisitie en inkoop in de waardering onvoldoende tot hun recht komen en een score van drie punten voor functionele vorming rechtvaardigen. Ter motivering van deze afwijking heeft het bestuur - kort gezegd - aangevoerd dat nauwelijks sprake is van het ontwikkelen van nieuwe markten of het werven van nieuwe klanten en dat appellanten bij de uitoefening van hun functies zijn gebonden aan vaste procedures en instructies. Nog daargelaten hoe deze motivering zich verhoudt tot de bewoordingen van de door het bestuur geaccordeerde (individuele) aanvullingen op de functiebeschrijvingen, de Raad moet vaststellen dat geen enkel verband is gelegd met de aspecten waar het bij functionele vorming om gaat: de opleiding en ervaring die - in aanvulling op de voor de hoofdgroep bepalende beroepsopleiding - nodig zijn om de functies op juiste wijze te kunnen vervullen. De door het bestuur naar voren gebrachte argumenten hebben veeleer betrekking op de gezichtspunten handelingsvrijheid en keuzemogelijkheden, die hier echter niet ter discussie staan. Het mag zo zijn dat bij de functionele vorming de aard (complexiteit) van de te onderhouden contacten mede in aanmerking moet worden genomen, maar ook dit rechtvaardigt niet het ontbreken van concrete gegevens omtrent de vereiste aanvullende opleiding en ervaring.

2.6. Voor zover uit de stukken moet worden afgeleid dat het bestuur uitsluitend heeft onderzocht of de individuele aanvullingen op de functiebeschrijvingen van invloed zijn op de waardering, is voorts niet de juiste maatstaf aangelegd. In gevallen zoals hier aan de orde moet de functiewaardering plaatsvinden op basis van de functiebeschrijving zoals deze uiteindelijk is komen te luiden, waarbij de organieke beschrijving en de individuele aanvullingen in samenhang - als één geheel - worden bezien.

2.7. De bestreden besluiten zijn dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden komen zij voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraken waarbij zij in stand zijn gelaten.

3. De Raad acht termen aanwezig om het bestuur met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 161,- aan kosten wegens aan ieder van appellanten in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 322,- aan kosten wegens aan ieder van appellanten in hoger beroep verleende rechtsbijstand (waarbij de zaken worden aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken en de besluiten van 7 september 2005 en 6 oktober 2005;

Draagt het bestuur op nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant 1 tot een bedrag van € 483,- en in de proceskosten van appellant 2 tot een bedrag van € 483,-, te betalen door de EMCO-groep;

Bepaalt dat de EMCO-groep aan appellanten het door hen in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt, in totaal € 349,- per appellant.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007.

(get.) R. Kooper.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

25.09