Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
06-4530 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het tweede besluit is het primaire besluit de status van beoordeling ontnomen. In dit opzicht is geheel aan betrokkene tegemoetgekomen en bestond voor hem geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4530 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B. ], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 26 juni 2006, 05/2130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 18 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2007. Appellant is niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Platenburg, werkzaam bij de politieregio Haaglanden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Basis Politie Zorg in de functie van medewerker Herkenningsdienst.

1.2. Bij besluit van 10 december 2003 is ten aanzien van appellant een beoordeling vastgesteld over het tijdvak van 1 november 2001 tot en met 1 november 2003.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de korpsbeheerder bij besluit van 21 februari 2005 gegrond verklaard; daarbij heeft hij bepaald dat de beoordeling wordt omgezet in een functioneringsgesprek en dat het bezwaarschrift van appellant met de bijlagen hierbij zal worden gevoegd als inhoudende de zienswijze van appellant op het functioneringsgesprek. De korpsbeheerder heeft besloten overeenkomstig het door de Bezwarenadviescommissie rechtspositionele besluiten terzake uitgebrachte advies. In dit advies wordt overwogen dat in het beoordelingstijdvak nooit een functioneringsgesprek met appellant is gehouden en dat niet is gebleken dat toetsbare werkafspraken met hem zijn gemaakt. De commissie acht appellant in zijn belangen geschaad doordat de beoordelaar het in zijn ogen onvoldoende functioneren van appellant pas bij de beoordeling goed aan hem duidelijk heeft gemaakt.

2. De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door appellant tegen het besluit van 21 februari 2005 ingestelde beroep. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 21 februari 2005 twee componenten bevat, te weten:

- de beslissing om de beoordeling van 10 december 2003 als zodanig te laten vervallen en

- de omzetting van de beoordeling in een functioneringsgesprek. Volgens de rechtbank richt het beroep van appellant zich tegen laatstgenoemd onderdeel. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met de onderhavige omzetting geen rechtsgevolg in het leven geroepen zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenmin is volgens de rechtbank sprake van een feitelijke handeling die appellant rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar raakt. Hiertoe is erop gewezen dat blijkens het Functionerings- en beoordelingsreglement Politie Haaglanden (hierna: reglement) geen rechtspositionele gevolgen kunnen worden verbonden aan een functioneringsgesprek als zodanig.

3. Mede naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad merkt allereerst op dat een bij een bestuursorgaan op grond van de Awb ingediend bezwaarschrift dit orgaan ertoe noopt te beoordelen of het bezwaar gelet op de in de Awb terzake gestelde eisen ontvankelijk is; alleen indien dat het geval is, is het bestuursorgaan bevoegd en verplicht een inhoudelijk besluit op het bezwaar te nemen. In dit licht moet worden geoordeeld dat een beslissing op een bezwaarschrift als hier in geding steeds een besluit in de zin van de Awb betreft.

3.2. Bij het besluit van 21 februari 2005 heeft de korpsbeheerder besloten de ten aanzien van appellant vastgestelde beoordeling om te zetten in een (verslag van een met appellant gehouden) functioneringsgesprek. Blijkens een door de korpsbeheerder gegeven toelichting zijn de bezwaren die appellant tegen de beoordeling heeft ingebracht beschouwd als bedenkingen tegen het “functioneringsgesprekformulier”, als bedoeld in artikel 8 van het reglement.

Wat hier ook van zij, het besluit van 21 februari 2005 strekt er naar het oordeel van de Raad duidelijk toe om aan het primaire besluit van 10 december 2003 de status van beoordeling te ontnemen; van een beoordeling is dus geen sprake meer. In dit opzicht is geheel aan appellant tegemoetgekomen en bestond voor hem geen procesbelang meer. Voorts ontbeert een (verslag van een) functioneringsgesprek als waarin de beoordeling in dit geval zou zijn omgezet, het karakter van een besluit in de zin van de Awb, zodat daartegen geen voorziening ingevolge deze wet openstaat. Een functioneringsgesprek wordt gehouden als normaal sturingsmiddel in de interne ambtelijke verhoudingen. Een rechtspositioneel belang van de desbetreffende ambtenaar is daarbij niet rechtstreeks betrokken.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet in zijn beroep bij de rechtbank kon worden ontvangen. Nu de rechtbank het beroep van appellant derhalve ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard maar zich onbevoegd heeft verklaard, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en zal de Raad doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de politieregio Haaglanden;

Bepaalt dat de politieregio Haaglanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

08.10