Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-1885 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1885 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 februari 2005, 04/2016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007. Appellant was in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. N.A.P. Heesterbeek, advocaat te Helmond. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 april 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2003 waarbij de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, per 19 januari 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het een en ander bepaald over vergoeding van proceskosten alsook griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanknopingspunten te hebben gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische gegevens is uitgegaan. Voorts is de rechtbank overgegaan tot vernietiging van het bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen, omdat het Uwv eerst in de beroepsfase (met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen van 10 juli 2003) afdoende heeft gemotiveerd waarom de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Appellant heeft zich niet met dat oordeel van de rechtbank kunnen verenigen en daartoe het volgende aangevoerd.

Verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff heeft hem ten onrechte niet daadwerkelijk onderzocht. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn onvoldoende beperkingen opgenomen met name wat reiken, buigen en torderen betreft. Hij kan de geduide functies niet vervullen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte en anders onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het aanvaardbaar is dat de bezwaar- verzekeringsarts L.Th. Schonagen geen aanleiding heeft gevonden om nadere informatie bij de behandelende artsen in te winnen en lichamelijk onderzoek te verrichten. Hij heeft luchtweg- en rugklachten en moet vaak en langdurig naar het toilet. Wat de nek, rechterschouder en rechterarm betreft is de situatie (verder) verslechterd. Tevens is het zo dat hij in verband met depressieve klachten contact heeft opgenomen met de GGZ, dat hij zijn rechteroog niet kan sluiten en dat zijn rechtermondhoek afhangt, in verband waarmee hij een afspraak heeft bij de neuroloog en de internist. Verder heeft het Uwv ontoereikend gemotiveerd zijn standpunt dat de geduide functies passend zijn. Ook heeft appellant gewezen op de door hem in hoger beroep ingebrachte uitnodiging van GGZ Rijnstreek van 8 april 2005 voor een psychiatrisch consult en de medische journaals van zijn huisarts van 7 mei 2005 en 12 mei 2005. Tot slot heeft appellant (nogmaals) met nadruk gewezen op zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de artsen van het Uwv van onjuiste medische beperkingen zijn uitgegaan. Evenmin is de Raad tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen een onvoldoende zorgvuldig en onvolledig onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, maakt die tot de zijne en voegt daaraan toe dat de in hoger beroep overgelegde stukken geen aanleiding tot een ander oordeel geven. De uitnodiging van GGZ heeft geen betrekking op de datum in geding (19 januari 2004), terwijl uit de overgelegde medische journaals van de huisarts evenmin blijkt van voor dit geding relevante gegevens.

Ook met betrekking tot de in hoger beroep herhaalde grieven van appellant betreffende het toiletbezoek en de Nederlandse taal onderschrijft de Raad de overwegingen in de aangevallen uitspraak die hij evenzeer tot de zijne maakt.

De Raad tekent hierbij aan in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 19 januari 2004. Met een (eventuele) verslechtering van de gezondheid van appellant na die datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande kan de Raad zich vinden in de gegrondverklaring van het beroep, de vernietiging van het bestreden besluit en de bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. In zoverre zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen. Echter, anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen grond is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, daar de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert. De Raad overweegt in dat verband het volgende. Volgens de FML kan appellant ongeveer 4 uur per dag ongeveer 20 keer per minuut (derhalve ongeveer 1200 keer per uur) frequent reiken tijdens het werk. In de (hoogstverlonende) functie produktiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC 111172) komt reiken evenwel voor tot 2000 keer per uur. In de (bezwaar-) arbeidskundige rapporten heeft de Raad geen (afdoende) motivering kunnen vinden van het standpunt van het Uwv dat deze functie passend is. Ter zitting is vanwege het Uwv niet alsnog een afdoende motivering gegeven. Aangezien niet met zekerheid op voorhand valt aan te nemen dat deze hoogstverlonende functie (zonder welke er drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies overblijven, de mediaan verschuift naar € 10,08 bruto per uur en de reductiefactor naar 0,48 met – bij een geïndexeerd maatmaninkomen van € 13,98 bruto per uur – een uitkomst van 65,38% arbeidsongeschiktheid) niet passend is, ligt het in de rede om over te gaan tot het niet in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit wegens schending van het motiveringsbeginsel. De Raad tekent hierbij aan dat, indien bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar ook de functies productiemedewerker industrie (111180) en inpakker (111190) worden gehandhaafd, nader zal moeten worden beoordeeld of en afdoende gemotiveerd dat met name op het onderdeel reiken de grenzen van de bij de FML vastgestelde belastbaarheid van appellant niet worden overschreden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden behoudens voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Appellant komt in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten in hoger beroep

(1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) tot een bedrag van in totaal € 644,-. Nu in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient dit worden betaald aan de griffier van de Raad. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet kunnen blijken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak behoudens voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstiuut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-, aan hem dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.

(get.) G.J.H. Doornwaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL