Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-1512 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in de gelegendheid gesteld om te reageren op het rapport van de deskundige

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1512 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 januari 2005, 04/272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. W.A. Verbeek, advocaat te Groningen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Voor appellant zijn verschenen mr. Verbeek en zijn (appellants) echtgenote.

Voor het Uwv is verschenen mr. L.G.M. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van

26 januari 2001 waarbij de aan appellant per 2 december 1999 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% toegekende WAO-uitkering wederom ongewijzigd is voortgezet, gegrond verklaard in die zin dat per 26 januari 2001 die WAO-uitkering wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 maart 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Het Uwv heeft gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door appellant niet in de gelegenheid te stellen te reageren op het door zenuwarts J.M.E. van Zandvoort op 27 oktober 2003 aan het Uwv uitgebrachte rapport van onderzoek van appellant alvorens het bestreden besluit te nemen.

Echter, de rechtbank ziet niet in welk redelijk belang is gediend met vernietiging van het bestreden besluit enkel op die grond en ziet dan ook geen aanleiding tot zodanige vernietiging. Immers, appellant heeft in de beroepsprocedure voldoende gelegenheid gehad om op dat rapport te reageren. Bovendien is aan appellant tot driemaal toe uitstel verleend voor het indienen van de beroepsgronden, omdat appellant de eigen deskundige wenste te raadplegen. Ook ter zitting van de rechtbank (op 12 januari 2005) is appellant nog altijd niet met andere medische informatie of een inhoudelijke reactie op dat rapport gekomen.

Wat appellants medische beperkingen betreft heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp heeft op 12 november 2003 op basis van het rapport van Van Zandvoort in het per 26 januari 2001 (datum in geding) aangescherpte belastbaarheidspatroon voldoende duidelijk omschreven welke beperkingen appellant ondervindt van zijn (extreme) gevoeligheid waar het gaat om contacten met derden en in zijn rapport van 20 augustus 2004 (door het Uwv ingebracht in de beroepsfase) inzichtelijk gemaakt dat met appellants gevoeligheid voorzover mogelijk rekening is gehouden.

Gelijk door deze bezwaarverzekeringsarts is aangegeven kan in de door het Uwv gehanteerde wijze van schatten niet in algemene zin rekening worden gehouden met hoe collega’s elkaar tegemoet treden, aldus voorts de rechtbank, die vervolgens heeft overwogen in de overgelegde stukken dan ook geen aanknopingspunten te hebben gevonden om te betwijfelen of de door deze bezwaarverzekeringsarts aangescherpte beperkingen juist zijn.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien over te gaan tot vernietiging wegens schending van artikel 7:9 van de Awb. Weliswaar heeft de rechtbank op zijn verzoek tot driemaal toe uitstel verleend voor het aanvullen van de beroepsgronden, maar niet om een eigen deskundige te raadplegen, doch omdat de beroepsgronden niet konden worden aangevuld voordat hij door tussenkomst van de hem behandelend psychiater (M.H. Dijkstra, GGz Groningen) kennis had kunnen nemen van het rapport van Van Zandvoort. In zijn rapport heeft Van Zandvoort aangegeven dat het vanwege appellants extreme gevoeligheid essentieel en daarmee medisch geïndiceerd is te achten dat het kennis nemen van dat rapport door appellant geschiedt met enige deskundige toelichting, reden waarom Van Zandvoort de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp heeft gevraagd een kopie van zijn rapport te sturen aan appellants huisarts die evenwel het geven van toelichting heeft overgelaten aan psychiater Dijkstra. Vervolgens was de behandelend advocaat op vakantie. De schending van artikel 7:9 van de Awb in de bezwaarfase kan niet zonder meer in de beroepsfase worden gecorrigeerd. Dit klemt te meer, omdat de redenen waarom de rechtbank in die schending geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit heeft gevonden, berusten op een misverstand en de rechtbank de aard van het geschil onvoldoende heeft onderkend.

Wat dat laatste punt betreft heeft appellant gesteld dat het geschil erover gaat of - en alsdan hoe - rekening moet worden gehouden met belemmeringen die in het systeem van arbeidsanalyse moeilijk meetbaar zijn, in dit geval de wijze waarop (in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies) collega’s met hun mogelijkheden en beperkingen op hem reageren.

De Raad overweegt als volgt.

In het hier van toepassing zijnde artikel 7:9 van de Awb is bepaald dat, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit wordt meegedeeld aan belanghebbenden die in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.

Met het oog op het in de bezwaarfase na de hoorzitting op instigatie van het Uwv ter beschikking gekomen rapport van Van Zandvoort, heeft de rechtbank terecht (dat is ook niet in geschil) geoordeeld dat dit artikel door het Uwv is geschonden.

Rijst de vraag of de rechtbank terecht is gekomen tot het oordeel dat daarin toch geen aanleiding bestond om het bestreden besluit te vernietigen.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.

Ingeval van schending van een essentiële bepaling als neergelegd in artikel 7:9 van de Awb, kan er slechts bij uitzondering aanleiding bestaan om niet over te gaan tot vernietiging van het bestreden besluit, al dan niet gepaard gaande met het bij vernietiging geheel of gedeeltelijk in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit.

In dit geval is de schending ernstig en is dat het Uwv in belangrijke mate toe te rekenen. Niet is namelijk in te zien dat het Uwv met het nemen van het bestreden besluit niet had kunnen wachten totdat appellant in de gelegenheid was gesteld van dat rapport kennis te nemen (door tussenkomst van een deskundige voor het geven van toelichting, zoals door Van Zandvoort medisch geïndiceerd geacht) en op de bevindingen van Van Zandvoort te reageren.

Het rapport van Van Zandvoort dateert van 27 oktober 2003 en was, afgaande op een daarop vanwege het Uwv aangebracht stempel, zeker op 6 november 2003 bij het Uwv beschikbaar. Uit de stukken wordt niet duidelijk of en alsdan wanneer een kopie van dat rapport aan appellants huisarts is gestuurd. De bezwaarverzekeringsarts Waasdorp heeft op 12 november 2003 naar aanleiding van dat rapport het van 20 januari 2000 daterende belastbaarheidspatroon aangescherpt; hij heeft niet een exemplaar van zijn (eigen) rapport met aangescherpt belastbaarheidspatroon aan appellant gezonden. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.A. Reijerse op 7 januari 2004 rapport uitgebracht en bij brief van 9 januari 2004 een exemplaar van dat (eigen) rapport aan appellant gezonden. Nadien heeft het nog tot 3 maart 2004 geduurd voordat het Uwv het bestreden besluit heeft genomen.

Aan te nemen valt dat het Uwv een kopie van het rapport van Van Zandvoort nog vóór het nemen van het bestreden besluit aan appellants huisarts heeft gestuurd, opdat op dat rapport door die huisarts toelichting aan appellant wordt gegeven. Afgaande op de gedingstukken heeft het Uwv, alvorens het bestreden besluit te nemen, niet aan appellant (en/of diens advocaat) de vraag voorgelegd of behoefte bestaat aan het geven een reactie op het rapport van Van Zandvoort. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt of het Uwv vanwege het uitblijven van een reactie van de kant van appellant heeft aangenomen dat appellant door tussenkomst van zijn huisarts of een ander die dat rapport van deskundige toelichting kan voorzien kennis had genomen van het rapport van Van Zandvoort en geen behoefte had om daarop te reageren. Ter zitting is op dat punt geen duidelijkheid kunnen worden verkregen. In beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn huisarts heeft geweigerd het rapport van Van Zandvoort met hem door te nemen en van toelichting te voorzien, waarna hij de hem behandelend psychiater Dijkstra heeft gevraagd om dat te doen, wat uiteindelijk in juli 2004 is gebeurd. Pas toen, bij brief van

9 augustus 2004, heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld zoals hiervoor aangegeven.

Onder de hiervoor beschreven omstandigheden had de rechtbank niet van vernietiging van het bestreden besluit mogen afzien.

Rijst vervolgens de vraag of de rechtbank bij vernietiging van het bestreden besluit aanleiding had behoren te zien gebruik te maken van haar bij artikel 8:72, lid 3, van de Awb toegekende bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Hierbij tekent de Raad aan dat die bevoegdheid de rechtbank een grote mate van vrijheid geeft en het al dan niet gebruikmaken van haar bevoegdheid in een concreet geval slechts met terughoudendheid (marginaal) mag worden getoetst.

Het antwoord op die vraag hangt af van de beoordeling van appellants (inhoudelijke) grieven tegen het bestreden besluit en in dit geval met name zijn grief met betrekking tot zijn extreme gevoeligheid waar het gaat om contacten met anderen bij de vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde theoretische functies. De Raad begrijpt deze grief in het licht van het steeds door appellant ingenomen standpunt dat hij ten tijde in geding geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en bijgevolg per die datum reeds op medische gronden als volledig arbeidsongeschikt had dienen te worden aangemerkt, aldus dat die functies vanwege die extreme gevoeligheid geen van alle passend zijn en, zo anders, dat geen of in onvoldoende mate functies hadden kunnen worden geduid.

Die grief kan naar het oordeel van de Raad niet slagen.

Gelijk het Uwv heeft gesteld en door de rechtbank is bevestigd, is met die extreme gevoeligheid zoveel als mogelijk rekening gehouden door bij het vastleggen van de diverse beperkingen in het belastbaarheidspatroon door op 12 november 2003 - met uitgebreide toelichting en in combinatie met beperkingen wat conflicterende functie-eisen en verantwoordelijkheid alsook afbreukrisico betreft - ook een beperking aan te nemen wat de psychisch belastende factor conflicthantering betreft. Het te dezen van toepassing zijnde functie-informatie-systeem (FIS) biedt niet de mogelijkheid om meer dan is geschied rekening te houden met de mogelijke reacties van degenen met wie appellant bij vervulling van de hem in het kader van de schatting voor te houden theoretische functies te maken heeft of kan hebben op zijn extreme gevoeligheid.

De Raad vermag niet in te zien dat het FIS als systeem daarin tekort schiet en evenmin hoe de mogelijke reacties van anderen in kaart zouden kunnen worden gebracht. De Raad tekent hierbij aan dat Van Zandvoort in zijn rapport (op pagina 18) heeft aangegeven dat er bij appellant geen totaal onvermogen is om enige vorm van arbeid te verrichten en in dat verband opgesomd om welke aspecten het gaat bij de beperkingen betreffende het persoonlijke en sociale functioneren. In die opsomming is als aspect niet opgenomen hoe anderen bij het door appellant vervullen van een (theoretische) functie op appellant (kunnen) reageren.

In aanmerking genomen het vorenstaande, het marginale karakter van de toetsing, het - terechte- streven van de rechtbank naar finale beslechting van het geschil en de omstandigheid dat appellant in de beroepsprocedure voldoende gelegenheid heeft gehad om op het rapport van Van Zandvoort te reageren, van welke gelegenheid appellant ook gebruik heeft gemaakt, had de rechtbank bij vernietiging van het bestreden besluit aanleiding behoren te zien gebruik te maken van haar bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven, zulks met proceskostenveroordeling en bepaling over vergoeding van het griffierecht. De Raad zal dit bij zijn uitspraak alsnog doen.

De Raad tekent hierbij nog aan dat hij niet vermag in te zien dat appellant door de schending door het Uwv van artikel 7:9 van de Awb is geschaad in zijn rechtspositionele belangen, in welk verband appellant als argument met name het verlies van een instantie naar voren heeft gebracht. Ter toelichting op dat argument heeft appellant ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat hem ingeval van het geheel in stand laten van de rechtsgevolgen de mogelijkheid wordt ontnomen te proberen in rechtstreeks contact met het Uwv te komen tot een voor hem betere uitkomst dan per 26 januari 2001 een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Mede gelet op het door het Uwv in beroep en in hoger beroep ingenomen en toegelichte standpunt mist dat - speculatieve - argument overtuigingskracht.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor de in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.288,--. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet kunnen blijken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 maart 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant wegens in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, aan appellant te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.H.A. Uri.

JL