Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
05-7139 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve beoordeling ontvankelijkheid bezwaar. Aanvang bezwaartermijn. Verschoonbare overschrijding bezwaartermijn?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7139 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2005, 05/417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, als rechtsopvolgster van het regionaal Indicatieorgaan Nieuwe Waterweg Noord, gevestigd te Driebergen (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.M. Raaijmaakers en S. Fennema, beiden werkzaam bij CIZ.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 4 maart 2004, gedagtekend 5 maart 2004, heeft CIZ bepaald dat appellant is geïndiceerd voor de functies huishoudelijke verzorging en persoonlijke verzorging, respectievelijk klasse 1 en klasse 5.

Namens appellant heeft het Bureau Sociaal Raadslieden Vlaardingen tegen het besluit van 4 maart 2004 bezwaar gemaakt, gedagtekend 15 april 2004. In het bezwaarschrift is vermeld dat bezwaar wordt aangetekend “tegen de beslissing van 4 maart 2004, verzonden op 5 maart 2004 (dagtekening) en ontvangen 8 maart 2004.”

Bij besluit van 29 december 2004 heeft CIZ het bezwaar ongegrond verklaard. Over de ontvankelijkheid heeft CIZ als volgt overwogen: “U heeft op 15 april 2004 een bezwaarschrift ingediend (ontvangen op 20 april 2004) gericht tegen de beschikking van 4 maart 2004 (verzonden op 8 maart 2004). Gelet op deze data en de in artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn is het bezwaarschrift ontvankelijk.”

In het kader van een door de rechtbank ambtshalve ingesteld onderzoek naar de tijdigheid van het ingediende bezwaar heeft CIZ een afschrift van de enveloppe waarin het bezwaarschrift was verzonden overgelegd. Deze enveloppe draagt het poststempel 18 april 2004.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, er - kennelijk - van uitgaande dat het besluit van 4 maart 2004 op 8 maart 2004 was verzonden en dat daartegen op 18 april 2004 - derhalve tijdig - bezwaar is gemaakt, het beroep tegen het besluit van 29 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Ter zitting van de Raad heeft CIZ naar voren gebracht dat het besluit van 4 maart 2004 niet op 8 maart 2004, maar op 5 maart 2004 is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van bezwaar eindigde op 16 april 2004. Het blijkens het poststempel op 18 april 2004 ingediende bezwaar had naar de mening van CIZ dan ook wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooropgesteld wordt dat de Raad gehouden is om de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2004 ambtshalve te beoordelen. De termijnregeling voor het indienen van bezwaar (en beroep) betreft de regeling van de toegang tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Naar vaste jurisprudentie, bij voorbeeld de uitspraak van 4 maart 1997, LJN ZB6858, wordt deze aangemerkt als van openbare orde te zijn. Dit betekent dat de omstandigheid dat CIZ tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld de beoordeling in hoger beroep van de ontvankelijkheid van het bezwaar niet in de weg kan staan.

De Raad stelt vast dat CIZ het besluit van 4 maart 2004 niet aangetekend heeft verzonden. Ook anderszins heeft CIZ niet aangetoond op welke datum dit besluit is verzonden. Daar staat tegenover dat in het bezwaarschrift staat vermeld dat het besluit op 8 maart 2004 is ontvangen. Namens appellant is in de loop van de procedure niet van deze mededeling teruggekomen; niet in het kader van het door de rechtbank ingestelde onderzoek en ook niet ter zitting van de Raad, waar uitsluitend is gewezen op het feit dat de rechtbank heeft aangenomen dat de in het besluit van 29 december 2004 vermelde verzenddatum van het besluit van 4 maart 2004 juist was.

Op grond van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de enkele stelling van een bestuursorgaan dat een besluit op een bepaalde datum is verzonden niet bepalend kan zijn voor de aanvang van de bezwaartermijn, moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat appellant het besluit van 4 maart 2004 op 8 maart 2004 heeft ontvangen. Dit is een maandag, zodat, gelet op de datum (4 maart 2004) en de dagtekening (5 maart 2004) van het besluit moet worden aangenomen dat het besluit van 4 maart 2004 op vrijdag 5 maart 2004 is verzonden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eindigt de bezwaartermijn van een op 5 maart 2004 verzonden besluit op 16 april 2004. Nu niet is gesteld en ook niet is aangetoond dat het bezwaarschrift op (vrijdag) 16 april 2004 nog na de laatste buslichting in de brievenbus is gedeponeerd, moet worden vastgesteld dat het op 18 april 2004 ingediende bezwaar na het verstrijken van de termijn is ingediend.

Aangezien niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de overschrijding van bedoelde termijn verschoonbaar maken, komt de Raad tot de slotsom dat CIZ het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren.

Uit het vorenstaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het besluit van 29 december 2004 wegens strijd met artikel 6:7 van de Awb dient te worden vernietigd.

De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 december 2004;

Verklaart het tegen het besluit van 4 maart 2004 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk;

Veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.N.A. Bootsma en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Bagga.

IJ