Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
05-459 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/459 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2004, 04/587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 5 september 2007 zijn van appellant nadere stukken bij de Raad ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Rasterhoff.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft zich na een bedrijfsongeval per 27 november 1980 ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker bij tegelfabriek [werkgever] te [vestigingsplaats]. In verband hiermee heeft het Uwv hem met ingang van 26 november 1981 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In april 1983 is appellant teruggekeerd naar Marokko. Na een herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is deze uitkering per 1 april 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij schrijven van 22 maart 2001 heeft appellant het Uwv verzocht om voortzetting van zijn WAO-uitkering na 1 juli 2001. Daarbij heeft hij gevraagd om verhoging van zijn uitkering naar het oorspronkelijke niveau van 80%. Bij brief van 26 april 2002 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant bij het Uwv bezwaar aangetekend tegen de weigering om tijdig te beslissen op het verzoek om verhoging van de uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 15 juli 2002 heeft het Uwv dat bezwaar gegrond verklaard.

In april 2003 is appellant naar Nederland gekomen voor een medische herbeoordeling. Hij is onderzocht door de longarts dr. H.B. Kwa, de psychiater W.J. Lubberding en de orthopedisch chirurg M.G.A. Frenkel. Voorts is appellant verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts S.M. Oosterhout, die op basis van dossierstudie, van zijn eigen onderzoek en van de door evengenoemde specialisten opgestelde onderzoeksrapporten de belastbaarheid van appellant heeft vastgesteld, enerzijds met het oog op eventuele toegenomen medische beperkingen sinds juli 1997 in het kader van de wet Amber, anderzijds ten behoeve van de vijfdejaars herbeoordeling voor de WAO (beoordelingsdatum: 1 juli 2001).

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige S.L. Koot onderzoek verricht naar de arbeidsmogelijkheden van appellant. Bij brief van 4 augustus 2003 heeft de arbeidsdeskundige appellant op de hoogte gesteld van de uitkomst van zijn onderzoek.

Namens appellant is op 19 september 2003 bij het Uwv bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit inzake zijn WAO-aanspraken. Bij besluit van 30 september 2003 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid sinds 1997 niet is toegenomen. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit zijn WAO-uitkering per 1 juli 2001 ongewijzigd voort te zetten naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Bij beslissing op bezwaar van 13 februari 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op appellants aanvraag om verhoging van zijn WAO-uitkering tot 80% gegrond verklaard en zijn de bezwaren tegen de primaire besluiten van 30 september en 1 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit zowel medisch als arbeidskundig op een juiste grondslag berust.

In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij recht heeft op een WAO-uitkering, die berekend is naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die van 15 tot 25%. Hij is in ieder geval van mening geen hele dagen te kunnen werken. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant onder meer enige medische gegevens overgelegd. Daarnaast heeft hij gewezen op zijn moeilijke financiële omstandigheden.

De Raad stelt vast dat appellant de aangevallen uitspraak uitsluitend betwist, voorzover het de medische grondslag van het bestreden besluit betreft. Dienaangaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daarbij acht de Raad nog van belang dat het Uwv ter voorbereiding van het bestreden besluit expertises heeft laten verrichten door drie medisch specialisten, te weten een longarts, een psychiater en een orthopedisch chirurg, die bij hun onderzoek – onder meer – de beschikking hadden over de resultaten van in 1997 door de longarts Waworuntu en de psychiater Wettstein verricht onderzoek ten behoeve van de beoordeling in het kader van de Wet TBA. De longarts dr. Kwa heeft zijn oordeel mede gebaseerd op röntgenologisch en longfunctie-onderzoek. Ook de orthopedisch chirurg Frenkel heeft röntgenfoto’s laten maken, namelijk van de cervicale en lumbale wervelkolom, het bekken, de knieën en de linkerenkel. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, merkt de Raad voorts op dat de verzekeringsarts Oosterhout appellant geschikt heeft geacht voor arbeid gedurende 8 uur per dag en 40 uur per week. In de zich in het dossier bevindende medische stukken heeft de Raad geen argumenten gevonden die de stelling van appellant op dit punt zouden kunnen ondersteunen. Ook de Raad komt derhalve tot de slotsom dat de belastbaarheid van appellant zowel voor de periode sinds 1997 als voor de datum 1 juli 2001 juist is vastgesteld, zodat appellant terecht in staat is geacht gedurende hele dagen werkzaamheden te verrichten.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007.

(get.) T.L. de Vries

(get.) A.C. Palmboom

IJ