Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6460

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
04/6702 WAO en 05/4079 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6702 WAO en 05/4079 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2004, 04/1148 (hierna: aangevallen uitspraak I)

en van 23 mei 2005, 04/3435 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.T. Sick, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak I en heeft mr. J.D. van Alphen, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak II.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Naar aanleiding van de verklaringen van appellantes huisarts P.W.J.M. Fuhring van 19 november 2004 en haar voormalig huisarts F.J. Boute van 22 april 2005 heeft het Uwv de Raad het commentaar van bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 11 april 2005 respectievelijk 19 september 2005 doen toekomen.

In reactie op vragen van de Raad heeft het Uwv een rapportage -met bijlagen- van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 9 oktober 2006 ingezonden.

Appellante heeft een brief van het Spine & Joint Centre van 23 augustus 2006 en de daarbij gevoegde verslagen van het intake-onderzoek, de gevolgde therapie en een evaluatie na drie maanden ingezonden.

Vervolgens heeft appellante de Raad het rapport, dat psychiater W. Dominicus op verzoek van de rechtbank Rotterdam op 1 mei 2007 over appellante heeft uitgebracht, doen toekomen.

Naar aanleiding van het verzoek van de Raad heeft het Uwv onder verwijzing naar twee rapportages van bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar van 20 juni 2007 een reactie gegeven op het rapport van psychiater Dominicus.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is gedurende 40 uur per week werkzaam geweest als inkoper/verkoper van scheepsbenodigdheden in dienst van [werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats]. Op 4 maart 1999 heeft appellante haar werkzaamheden gestaakt in verband met colitis ulcerosa en de daaruit voortvloeiende spannings- en vermoeidheidsklachten. Verzekeringsarts M. Aydin is bij onderzoek van appellante op 17 november 1999 tot de conclusie gekomen dat aanleiding bestaat haar een urenbeperking voor halve dagen op te leggen en dat zwaar fysieke arbeid alsmede hoge werkdruk en stresserende werkomgevingen voor appellante ongewenst zijn. De beperkingen zijn nader uitgewerkt in een belastbaarheidsprofiel. Aan appellante, die inmiddels haar eigen werkzaamheden ten dele had hervat, is met ingang van 2 maart 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, toegekend. De melding van appellante dat zij per 24 februari 2003 volledig arbeidsongeschikt is, heeft geleid tot een herziening van haar WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% met ingang van

24 maart 2003.

Op 10 oktober 2003 heeft appellante het spreekuur van de verzekeringsarts R.K. Kanhai bezocht. Deze arts is na kennisneming van de bevindingen van een uitgebreid internistisch onderzoek in maart 2003, de twee liesbreukoperaties die appellante in 2003 heeft ondergaan en na lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche tot de conclusie gekomen dat appellante belastbaar is overeenkomstig het belastbaarheidsprofiel dat in 1999 is opgesteld. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn de voor appellante geldende beperkingen weergegeven, waaronder beperkingen voor een stresserende werkomgeving, frequent reiken, duwen en trekken, tillen en dragen, frequent lichte en zware voorwerpen hanteren, lopen, nachtdiensten alsmede een urenbeperking tot 20 uur per week en zes uur per dag. De verzekeringsarts heeft kennis genomen van de uitvoerige brief van appellante van 12 oktober 2003, waarin zij hem nader heeft geïnformeerd over haar lichamelijke en psychische gesteldheid, maar heeft daarin geen aanleiding gevonden om zijn standpunt over de belastbaarheid van appellante te wijzigen. Arbeidsdeskundige A. van Veldhoven is na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot de conclusie gekomen dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen in staat is functies, waaronder die van telefonist/receptionist/typist, produktiemedewerker industrie en textielproductenmaker, te vervullen waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met maatgevende inkomen van appellante sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 71,85%. In overeenstemming met deze bevindingen heeft het Uwv bij het besluit van 27 november 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 januari 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De ziekmelding van appellante per 28 januari 2004 heeft geleid tot een onderzoek door verzekeringsarts Kanhai op 17 februari 2004. De arts is tot de conclusie gekomen dat in vergelijking met het onderzoek op 10 oktober 2003 geen sprake is van significant andere bevindingen en appellante nog steeds belastbaar is conform de eerder opgestelde FML. Uit oogpunt van zorgvuldigheid is informatie ingewonnen bij de behandelend internist M.P.C. Middelkoop, die de verzekeringsarts bij brief van 23 februari 2004 heeft geïnformeerd over verschillende onderzoeken die appellante in de loop der jaren heeft ondergaan, laatstelijk in januari 2004, en de bevindingen daaruit. De ontvangen informatie heeft niet geleid tot een ander oordeel van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante. Arbeidsdeskundige Van Veldhoven, die op 2 maart 2004 opnieuw het CBBS heeft geraadpleegd, is tot de conclusie gekomen dat appellante onveranderd 65 tot 80% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellante ongewijzigd wordt voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 november 2003 heeft bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer, die heeft deelgenomen aan de hoorzitting op 4 maart 2004 waarop appellante haar standpunt nader heeft toegelicht, de medische grondslag van dat besluit heroverwogen. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante terecht uitsluitend voor fysiek en psychisch niet belastende werkzaamheden voor 20 uur per week geschikt wordt geacht en dat haar vele gezondheidsklachten geen aanleiding geven tot meer beperkingen dan reeds zijn aangenomen. Bij heroverweging van de arbeidskundige grondslag van het primaire besluit heeft bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt geoordeeld dat uitsluitend de functie van tandartsassistente moet komen te vervallen omdat deze functie op de datum in geding onvoldoende actuele arbeidsplaatsen vertegenwoordigde en dat de overige functies terecht zijn geselecteerd. Bij het besluit van 24 maart 2004 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2003 ongegrond verklaard.

Dezelfde bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige zijn na onderzoek tot de conclusie gekomen dat het besluit van 22 maart 2004 op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Bij het besluit van 11 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2004 eveneens ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Voorts zag de rechtbank geen reden om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit I ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat een eventuele amalgaam/kwikvergiftiging moet leiden tot de conclusie dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor haar zijn, noch dat een dergelijke vergiftiging moet leiden tot een grotere urenrestrictie dan wel het stellen van andere/zwaardere beperkingen dan in de FML zijn opgenomen. Behoudens ten aanzien van het aspect tillen, waarvoor in 1999 een beperking tot 5 kg is aangenomen en in de FML een beperking tot 10 kg, heeft de rechtbank het standpunt van appellante dat het in 1999 opgestelde belastbaarheidprofiel evident anders is dan de FML, niet onderschreven. Nu in de voor appellante geselecteerde functies nooit meer dan 5 kg getild of gedragen behoeft te worden, heeft de rechtbank geen reden gezien het bestreden besluit I te vernietigen. De rechtbank heeft geconstateerd dat voor appellante voldoende functies zijn geselecteerd die in overeenstemming zijn met haar krachten en bekwaamheden en die resulteren in een verlies aan verdienvermogen van 72%. Dit heeft de rechtbank geleid tot de conclusie dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit I ongegrond moet worden verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit II eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de verklaring van de huisarts en van de fysiotherapeut, ter ondersteuning van het standpunt van appellante dat zij lijdt aan bekkeninstabiliteit, geen reden gezien om de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit II in twijfel te trekken. De bezwaarverzekeringsarts, aan wie bekend was dat in juni 2004 de diagnose bekkeninstabiliteit is vastgesteld, heeft daarin naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding behoeven te zien voor aanpassing van de FML. Ten aanzien van de gestelde amalgaamvergiftiging heeft de rechtbank verwezen naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in de aangevallen uitspraak I. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat ten opzichte van de beoordeling per 27 januari 2004 met ingang van 28 januari 2004 sprake was van een dusdanige verergering van de klachten dat dit zou moeten leiden tot een aanpassing van de belastbaarheid van appellante.

Appellante heeft in de beide gedingen in hoger beroep herhaald dat zij naast de darmklachten, die mede vermoeidheidsklachten tot gevolg hebben, last heeft van gewrichtsklachten, met name van haar polsen, een rugwervelontsteking, huidontstekingen en een voortdurende verhoging van haar lichaamstemperatuur, waarmee de (bezwaar)verzekeringsarts geen rekening heeft gehouden. In verband met polsklachten had in de FML een beperking voor hand- en vingergebruik opgenomen moeten worden, waarbij met name gedacht moet worden aan het gebruik van toetsenbord en muis, waardoor de functies van telefonist/receptionist, produktiemedewerker industrie en textielproduktenmaker ten onrechte zijn geselecteerd. De functie van assistent consultatiebureau acht appellante niet passend omdat in die functie al gauw meer dan 5 kg moet worden getild, terwijl ook haar polsklachten een beletsel vormen om die functie te vervullen. Voorts is appellante van mening dat een beperking opgenomen had moeten worden voor het omgaan met conflicten omdat zij snel emotioneel is en dat om die reden de functie van telefonist, receptionist, typist ongeschikt is. Appellante blijft van mening dat de verzekeringsarts een onjuiste vertaling heeft gemaakt van het in 1999 gemaakte belastbaarheidsprofiel in de FML. Voorts is naar de mening van appellante verzuimd voor haar klachten van liezen en het bekken, waarvoor de diagnose bekkeninstabiliteit is gesteld, beperkingen op te nemen ten aanzien van hurken, trappenlopen, lopen, zitten en staan. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen naar de brief van de arts C.P. Visser, werkzaam bij het Spine & Joint Centre, van 23 augustus 2006 waarin is gememoreerd dat aan appellante het advies is gegeven om de drie uur een liggend rustmoment van 15 minuten in te lassen en haar activiteiten (lopen, zitten en staan) af te wisselen. In verband met hoofdpijn en ernstige vermoeidheidsklachten acht appellante een urenbeperking van 20 uur per week onvoldoende. Hoewel appellante onderkent dat psychiater Dominicus zich niet heeft uitgelaten over haar psychische gesteldheid in 2004, wijst zij erop dat uit het rapport van deze deskundige blijkt dat al voor 2005 sprake was van een paniekstoornis.

In hoger beroep staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 januari 2004 terecht is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en dat per 28 januari 2004 geen sprake was van een gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid die aanleiding gaf tot een verhoging van de WAO-uitkering.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, die alle gezondheidsklachten van appellante, zoals verwoord in haar brief van 12 oktober 2003 en nader toegelicht in de aanvullende bezwaarschriften, in ogenschouw hebben genomen, zich een zorgvuldig beeld hebben gevormd over lichamelijke en geestelijke gesteldheid van appellante in de periode hier in geding. Daarbij is niet alleen afgegaan op de eigen bevindingen bij lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche, maar is ook informatie ingewonnen bij de behandelend internist M.P.C. Middelkoop. De internist heeft verzekeringsarts Kanhai bij brief van 23 februari 2004 geïnformeerd dat appellante bekend is met een lichte vorm van colitis ulcerosa, die de laatste jaren in remissie is, zij het dat recent sprake was van een recidief van een proctitis ulcerosa over 2 tot 3 cm, waarvoor naast de al verstrekte onderhoudsdosering een medicijn is toegevoegd. Behoudens genoemd recidief hebben de aanvullende onderzoeken uitsluitend aanwijzingen voor een lichte sacro-iliitis opgeleverd. Voorts is gerapporteerd dat lichamelijk onderzoek afgezien van heesheid, waarvoor appellante wordt onderzocht door een KNO-arts, en wat acne in het gezicht, geen bijzonderheden heeft opgeleverd. Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd verklaard dat het onderzoek door de KNO-arts geen specifieke aandoening aan het licht heeft gebracht en dat de heesheid waarschijnlijk wordt veroorzaakt door spanningsklachten. Voorts heeft appellante ter zitting weliswaar verklaard dat zij ontevreden is over genoemde internist, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van deze specialist onjuist dan wel onvoldoende zijn. Uit de beschikbare medische stukken blijkt niet dat bij onderzoek naar de gewrichtsklachten, met name de polsklachten, een objectieve afwijking is gevonden.

Het Spine & Joint Centre heeft in de brief van 7 december 2005 vermeld dat appellante in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt door pijn midden onder in de rug en de gehele achterzijde en voorzijde van het bekken, waarbij sprake is van uitstralende pijn in het rechter boven- en onderbeen en de rechter voet en tenen en dat die pijn gepaard gaat met tintellingen en/of een doof gevoel in het rechter onderbeen en de rechter voet en tenen. Volgens deze brief zijn de pijnklachten in de voorafgaande drie maanden verergerd. De Raad stelt vast dat appellante ten tijde hier van belang geen melding heeft gemaakt van dergelijke pijnklachten en dat om die reden geen betekenis kan worden toegekend aan het gegeven advies, wat daar verder ook van zij, om na drie uur een liggend rustmoment van 15 minuten in te lassen en dat zij lopen, zitten en staan dient af te wisselen. Voorts bieden de gedingstukken, waaronder het rapport van psychiater Dominicus, geen aanwijzing dat appellante begin 2004 leed aan een paniekstoornis.

Gelet op de beschikbare objectief medische gegevens, bestaan naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante ten tijde hier van belang niet in staat was om fysiek en psychisch niet belastende werkzaamheden voor 20 uur per week te verrichten. De Raad is met de rechtbank, zoals overwogen in de aangevallen uitspraak I, van oordeel dat er ten aanzien van appellante over het geheel genomen forse beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn vastgesteld. Aan de omstandigheid dat de beperkingen in de FML niet identiek zijn aan die in het belastbaarheidsprofiel dat in 1999 is opgesteld, kan de Raad geen bijzondere betekenis hechten, terwijl hij het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het aannemen van een beperking op het aspect tillen en dragen tot 5 kg niet tot een andere uitkomst leidt.

De omstandigheid dat aan het bestreden besluit II mede functies ten grondslag liggen met een urenomvang van meer dan 20 uur per week, waardoor de urenbeperking tot 20 uur per week wordt overschreden en waarvoor geen deugdelijke toelichting is gegeven, leidt de Raad niet tot vernietiging van dat besluit omdat aan dat besluit tevens voldoende functies met een urenomvang tot 20 uur per week ten grondslag liggen, waardoor onveranderd sprake is van een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv eerst met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt van 9 oktober 2006 - en derhalve pas in hoger beroep - de schatting voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht is geboden in en een voldoende mogelijkheid tot toetsing is verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen waarop de schatting berust. In lijn met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) brengt vorenstaande de Raad tot de slotsom dat de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebreken voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad is evenwel van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand dienen te worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. In totaal € 2.254,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.254,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 279,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

JL