Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
05-6926 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering en ZW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6926 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2005, 05/1247 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in oktober 1997 zijn werkzaamheden in de functie van productiemedewerker gestaakt vanwege longklachten. Per einde wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een eerstejaarsherbeoordeling vond in 1999 medisch en arbeidskundig onderzoek plaats, waarna het Uwv bij besluit van 1 december 1999 de WAO-uitkering met ingang van 26 januari 2000 introk, omdat vanaf laatstgenoemde datum geen sprake meer was van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 6 april 2000 gegrond verklaard voor zover het de beëindigingsdatum betrof van de WAO-uitkering; deze is nader vastgesteld op

2 februari 2000.

Appellant was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker via een Uitzendbureau, toen hij zich op 7 februari 2001 opnieuw ziek meldde wegens longklachten en psychische klachten. In het kader van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van de verzekeringsartsen van het Uwv bezocht.

Op 29 maart 2001 heeft appellant voorts een WAO-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van een onderzoek door de verzekeringsarts H.P. Balk op 26 juli 2001 heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2001 geweigerd aan appellant met ingang van 7 maart 2001 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant bij aanvang van de verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was, dan wel omdat de uitval op 7 februari 2001 kennelijk was te verwachten.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 15 januari 2002 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij niet meer wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Namens appellant is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel op 5 februari 2003 heeft het Uwv bij besluit van 10 februari 2003 zijn besluit van 1 augustus 2001 gehandhaafd onder de gewijzigde motivering dat op 7 maart 2001, vier weken na de datum van de ziekmelding op 7 februari 2001, geen sprake is van arbeidsongeschiktheid.

Tevens heeft het Uwv bij besluit van gelijke datum het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2004 heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de besluiten van 10 februari 2003 gegrond verklaard, de besluiten vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en beslissingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierrecht. Naar het oordeel van de rechtbank had de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv ten onrechte geen nader onderzoek laten verrichten naar de psychische en/of persoonlijkheidsproblematiek van appellant. Tegen de uitspraak van 9 april 2004 is geen hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van voornoemde uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv appellant laten onderzoek door psychiater G.T. Gerssen. Gerssen stelt in zijn rapport van 3 januari 2005 dat ten tijde van het onderzoek bij appellant sprake was van een psychotische stoornis met hallucinaties als gevolg van middelengebruik. Daarbij merkt de deskundige op dat de psychische toestand van appellant thans anders is dan in 2001. In 2001 was volgens Gerssen sprake van een eenvoudige psychiatrische problematiek, te weten verslavingsproblemen met antisociaal gedrag. Gerssen stelt dat er bij appellant beperkingen zijn bij het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte en/of gebrek in psychiatrische zin. De beperkingen waren in 2001 veel geringer dan thans, appellant was toen aangewezen op gestructureerde eenvoudige werkzaamheden met een beperkte verantwoordelijkheid. In 2001 was er volgens Gerssen geen urenrestrictie van toepassing.

In overeenstemming met dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel op 31 januari 2005 een nieuw belastbaarheidspatroon opgesteld, waarbij zowel lichamelijke als psychische beperkingen zijn aangenomen. In zijn rapport van 31 januari 2005 stelt Bockwinkel dat de arbeidsbeperkingen van appellant op 7 maart 2001 niet afwijken van de situatie op 15 januari 2002.

Na een arbeidskundig onderzoek op 21 februari 2005, waarbij functies zijn geduid, is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de WAO vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 13 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant alsnog ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan het rapport van psychiater Gerssen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de namens appellant overgelegde medische stukken niet kan worden afgeleid dat het Uwv de medische situatie van appellant op de data in geding heeft onderschat.

Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid per 7 maart 2001 onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Appellant is van mening dat hij vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten niet in staat was per 7 maart 2001 het werk te hervatten. Voorzover werkhervatting mogelijk was stelt appellant zich op het standpunt dat dit tot schade aan zijn gezondheid zou leiden. Appellant verwijst in dit kader naar artikel 4.9 van de richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidcriterium. Hetgeen appellant aanvoert geldt tevens ten aanzien van werkhervatting per 15 januari 2002.

De Raad overweegt als volgt.

WAO-besluit

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Daarbij merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts het rapport van de psychiater Gerssens van 3 januari 2005 heeft betrokken in zijn oordeel en op grond hiervan het belastbaarheidspatroon heeft aangepast.

In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen reden om te oordelen dat appellant meer beperkt moet worden geacht dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen in hoger beroep niet heeft onderbouwd met nadere medische stukken die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

Ten aanzien van appellants grief dat werkhervatting zou leiden tot schade aan de gezondheid als bedoeld in artikel 4.9 van de richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidcriterium onderschrijft de Raad het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel, zoals vermeld in diens rapport van 8 april 2005.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gericht tegen het WAO-besluit niet kan slagen.

ZW-besluit

Wat betreft de intrekking van de ZW-uitkering met ingang van 15 januari 2002 overweegt de Raad het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald dat, in geval de betrokkene in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk.

Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2005, LJN: AS5738, onder meer overwogen dat voormelde maatstaf niet zonder meer kan worden aangehouden in geval de betrokkene na de WAO-beoordeling in enig werk heeft hervat en hij die arbeid voorafgaande aan de uitval daadwerkelijk verrichtte. Naar uit de stukken blijkt en ter zitting van de rechtbank door de gemachtigde van het Uwv is bevestigd, heeft appellant hervat in de functie van magazijnmedewerker.

De Raad stelt vast dat appellant in augustus 2000 heeft hervat in de functie van magazijnmedewerker en deze werkzaamheden geruime tijd heeft verricht. De Raad is van oordeel dat in een dergelijke situatie de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid dienen te worden aangehouden. Naar het oordeel van de Raad blijkt echter uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel van 5 februari 2003 dat deze bij de toets of appellant op 15 januari 2002 in staat was zijn arbeid te verrichten als maatstaf arbeid de WAO-functies heeft aangehouden. Dienaangaande merkt de Raad op dat uit de nadere heroverweging van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel d.d. 31 januari 2005 in het geheel niet blijkt aan welke maatstaf arbeid is getoetst.

Het vorenstaande heeft de Raad tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke grondslag en dat er aanleiding bestaat het bestreden besluit, voorzover in dit geding aan de orde, te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.

Desondanks is de Raad van oordeel dat appellant op de datum in geding geschikt is te achten voor zijn arbeid als magazijnmedewerker. In dit verband verwijst de Raad naar het rapport van de psychiater Gerssen van 3 januari 2005. Deze acht appellant in 2001 aangewezen op gestructureerde eenvoudige werkzaamheden met een beperkte verantwoordelijkheid. De Raad is van oordeel dat de arbeid als magazijnmedewerker aan deze criteria voldoet. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant op medische gronden op en na 15 januari 2002 ongeschikt moet worden geacht voor zijn arbeid.

Gelet op het vorenstaande zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand laten.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gericht tegen het ZW-besluit slaagt en de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in eerste aanleg begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 322,- eveneens voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op het WAO-besluit;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover dit betrekking heeft op het ZW-besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstuut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 140,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

JL