Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06-6244 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenteraad grijpt niet in in beleidsvrijheid College.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 372
ABkort 2007/557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6244 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B. ] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 oktober 2006, 06/4280 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 05/7273 en 06/4950, plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Voor appellante is verschenen mr. Timmer. Tevens was aanwezig de dochter van appellante. Het College heeft zich (met bericht) niet laten vertegenwoordigen. Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 11 mei 1999, in aanvulling op haar pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet, algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Ook ontving appellante vanaf november 2001 bijzondere bijstand in de kosten van hulp in de huishouding die maandelijks aan haar werd uitbetaald. In de jaren 2002 tot en met 2004 heeft appellante voorts meerdere malen bijzondere bijstand ontvangen voor incidenteel gemaakte kosten.

Naar aanleiding van signalen van de Belastingdienst dat appellante op haar naam twee bankrekeningen met de nummers [nr. Fortisrekening] (hierna: Fortisrekening) en [nr. ABN/AMRO-rekening] (hierna: ABN/AMRO-rekening) heeft staan, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante verzocht de bankafschriften van de hiervoor genoemde rekeningen alsmede de stukken omtrent de opening en de opheffing van deze rekeningen over te leggen. Ook is met appellante een gesprek gevoerd.

De onderzoeksresultaten hebben het College aanleiding gegeven om bij besluit van 1 augustus 2005 de bijstand van appellante over de periode van 22 januari 2001 tot en met 31 januari 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.357,67 van appellante terug te vorderen. Tevens heeft het College bij besluit van 25 juli 2005 de bijzondere bijstand in de kosten van de hulp in de huishouding per 1 augustus 2005 beëindigd. Bij besluit van 21 december 2005 heeft het College met ingang van 14 november 2005 wederom algemene bijstand aan appellante toegekend.

Bij besluit van 5 april 2006 heeft het College de tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij aangenomen dat appellante in ieder geval tot en met 13 januari 2005 over een tegoed op de Fortisrekening kon beschikken dat meer bedroeg dan het bedrag van de grens van het vrij te laten vermogen. Daarbij is verder overwogen dat appellante op 13 januari 2005 bijna het gehele tegoed van € 20.890,-- van deze rekening heeft opgenomen en dat, nu appellante geen opheldering heeft verschaft over de besteding van deze gelden, het recht op bijstand over de periode na 13 januari 2005 niet kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van de hulp in de huishouding heeft het College overwogen dat appellante op 1 augustus 2005 nog niet voldoende op haar vermogen had ingeteerd, zodat zij op die datum niet als bijstandsgerechtigde kon worden aangemerkt. Het College heeft voorts geen aanleiding gezien om per een eerdere datum dan 14 november 2005 weer bijstand toe te kennen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 5 april 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot de terugvordering vastgesteld dat deze betrekking heeft op de periode van 1 december 2000 tot en met 31 december 2000 en van 1 november 2001 tot en met 31 januari 2005, maar daaraan geen consequenties verbonden voor het besluit van 5 april 2006.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de intrekking en de terugvordering van de bijstand en de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van een hulp in de huishouding.

De Raad komt de volgende beoordeling.

De intrekking

Uit de gedingstukken blijkt dat op 13 december 2000 op de ABN/AMRO-rekening ten name van appellante een bedrag van ƒ 1.000,-- is gestort, welk bedrag voor 3 jaar is vastgezet. Op 14 december 2003 is het vrijgekomen bedrag van € 498,39 op de privé-rekening van appellante gestort. Uit het bankafschrift van 22 november 2001 van de op naam van appellante staande Fortisrekening blijkt van een kasstorting van € 6.808,- . Nadien zijn bedragen af- en bijgeboekt, waarbij het tegoed op deze rekening per saldo is toegenomen. Het saldo van de Fortisrekening bedroeg op 12 januari 2005 € 20.893,09. Op 13 januari 2005 is een bedrag van € 20.890,-- per kas van de Fortisrekening opgenomen. Op 14 januari 2005 is de Fortisrekening opgeheven, waarbij het restantbedrag op een rekening van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is geboekt.

De Raad stelt allereerst vast dat appellante ten tijde hier in geding de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College niet op de hoogte te stellen van deze twee op haar naam staande bankrekeningen.

Voorts merkt de Raad op dat naar vaste rechtspraak het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat, de vooronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Appellante is daarin niet geslaagd. De overgelegde verklaring van [betrokkene] van 13 januari 2005, waarin is gesteld dat de banktegoeden op de Fortisrekening van hem zijn, acht de Raad daarvoor onvoldoende, nu deze verklaring niet met objectieve gegevens is onderbouwd. Ook in de door appellante opgesomde omstandigheden ziet de Raad geen afdoende bewijs voor de stelling dat het tegoed niet aan haar maar aan [betrokkene] heeft toebehoord. Het enkele feit dat bij de opheffing van de Fortisrekening een klein restantbedrag op rekening van [betrokkene] is geboekt, is in dat verband ontoereikend. Daarbij merkt de Raad op dat verder alle stortingen op en geldopnames van de Fortisrekening per kas zijn gedaan, waardoor verifieerbare gegevens omtrent de herkomst en de bestemming van de geldbedragen ontbreken.

Nu appellante niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast, moet het er voor worden gehouden dat de op de rekeningen staande tegoeden tot haar vermogen behoorden. De Raad stelt voorts vast dat het vermogen van appellante over de periode van 22 november 2001 tot 13 januari 2005 hoger is geweest dan de destijds voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen, zodat zij op die grond over die periode geen recht op bijstand had.

Op 13 januari 2005 is een bedrag van € 20.890,-- per kas van de Fortisrekening opgenomen. De Raad is met het College van oordeel dat appellante op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat, en - zo ja - op welke wijze, dit bedrag vervolgens is besteed. De Raad kan zich derhalve met het standpunt van het College verenigen dat niet kan worden vastgesteld of appellante over de periode van 13 januari 2005 tot en met 31 januari 2005 verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).

De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting heeft er dan ook toe geleid dat aan appellante over de periode van 22 november 2001 tot en met 31 januari 2005 ten onrechte bijstand is verleend.

De Raad is van oordeel dat er geen grond is om de over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001 verleende bijstand in te trekken. Weliswaar had appellante in die periode een ABN/AMRO-rekening op haar naam staan, maar het saldo op die rekening heeft de toepasselijke vermogensgrens niet overschreden. Niet is gebleken dat appellante over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001 anderszins geen recht had op bijstand. In zoverre kan de Raad zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en evenmin met het besluit van 5 april 2006. Dit besluit berust wat de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001 betreft op een ondeugdelijke motivering.

Uit het vorenstaande volgt dat aan de voorwaarden voor intrekking met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB (slechts) is voldaan over de periode van 22 november 2001 tot en met 31 januari 2005, zodat het College bevoegd was de bijstand over deze periode in te trekken.

Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat de door de raad van de gemeente ’s-Gravenhage vastgestelde Verordening Fraudebeleid verbindende kracht mist voor zover deze raakt aan de wettelijke beleidsvrijheid van het College omtrent de intrekking/herziening van bijstand. De Raad overweegt dienaangaande dat de gemeenteraad het College bij artikel 7 van deze verordening heeft opgedragen ten aanzien van de herziening van de bijstand beleidsregels vast te stellen, maar de Raad stelt tevens vast dat in de verordening zelf geen regels worden gesteld met betrekking tot de concrete uitoefening van de in artikel 54 van de WWB aan het College toegekende bevoegdheid of de inhoud van de op te stellen beleidsregels. Gelet hierop ziet de Raad in deze grief geen grond voor vernietiging van het besluit van 5 april 2005 voor zover dat betreft de intrekking van de bijstand. Overigens blijkt uit de gedingstukken dat het College geen beleid of beleidsregels heeft vastgesteld met betrekking tot de intrekking of de herziening van bijstand.

In hetgeen appellante verder heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de bijstand over de periode van 22 november 2001 tot en met 31 januari 2005 heeft kunnen besluiten.

De terugvordering

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van WWB met betrekking tot de periode van 22 november 2001 tot en met 31 januari 2005. Het College was derhalve bevoegd om de kosten van de over die periode ten onrechte verleende algemene en bijzondere bijstand van appellante terug te vorderen.

Ook in het verband van de terugvordering heeft appellante aangevoerd dat de door de raad van de gemeente ’s-Gravenhage vastgestelde Verordening Fraudebeleid verbindende kracht mist voor zover deze raakt aan de wettelijke beleidsvrijheid van het College met betrekking tot de terugvordering van bijstand. De Raad overweegt dienaangaande dat de gemeenteraad het College bij artikel 5 van de Verordening heeft opgedragen ten aanzien van de terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand beleidsregels vast te stellen, maar de Raad stelt tevens vast dat in de verordening zelf geen regels worden gesteld met betrekking tot de concrete uitoefening van de in artikel 58 van de WWB aan het College toegekende bevoegdheid of de inhoud van de op te stellen beleidsregels.

Het College heeft met betrekking tot de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand wel beleid vastgesteld. Uit het Beleid Terug- en invordering, zoals neergelegd in het Werkboek WWB, blijkt dat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat. Daarbij is aangegeven dat van invordering om administratieve redenen wordt afgezien indien het bedrag lager is dan € 113,--. In individuele gevallen kan van terugvordering worden afgezien indien sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Het College heeft met zijn besluit tot terugvordering overeenkomstig het beleid gehandeld. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die het College aanleiding hadden behoren te geven om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in haar geval van dit beleid af te wijken.

Voor de periode voorafgaand aan 22 november 2001 is aan de voorwaarden voor terugvordering niet voldaan. Ook in zoverre berust het besluit van 5 april 2006 niet op een deugdelijke motivering.

De beëindiging van de bijzondere bijstand

Met betrekking tot de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van de hulp in de huishouding overweegt de Raad als volgt. Door zich in het besluit van 5 april 2006 op het standpunt te stellen dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij nog niet voldoende heeft ingeteerd op haar vermogen, is het College er kennelijk vanuit gegaan dat appellante op 1 augustus 2005 nog kon beschikken over (een groot deel van) het bedrag dat op 13 maart 2005 is opgenomen van de Fortisrekening. De Raad is van oordeel dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn waarop dat standpunt kan worden gebaseerd. Het besluit van 5 april 2006 ontbeert ook op dit punt een deugdelijke motivering. De Raad is evenwel van oordeel dat het College de bijzondere bijstand niettemin terecht met ingang van 1 augustus 2005 heeft beëindigd. Appellante heeft volhard in haar stelling dat het opgenomen geld niet haar maar [betrokkene] toebehoorde, maar zij heeft, zoals hiervoor al overwogen, die stelling onvoldoende onderbouwd. In aanmerking genomen de hoogte van het op 13 januari 2005 opgenomen bedrag, en nu appellante op geen enkele wijze inzicht heeft verschaft in de besteding van dat bedrag, kan niet worden vastgesteld of appellante op 1 augustus 2005 verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.

Slotoverwegingen

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten – voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 5 april 2006 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001, de terugvordering over de gehele in geding zijnde periode, en de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van de huishoudelijke hulp. Hierbij tekent de Raad aan dat het terugvorderingsbesluit in zijn geheel moet worden vernietigd omdat een dergelijk besluit wegens het daaraan verbonden karakter van executoriale titel ondeelbaar is.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in zoverre zelf in de zaak te voorzien, dat het primaire besluit van 1 augustus 2005 wordt herroepen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001.

Het College zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering.

Onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 april 2006 in stand laten voor zover dat ziet op de beëindiging van de bijzondere bijstand met ingang van 1 augustus 2005.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 april 2006 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001, de terugvordering van de bijstand, en de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van de hulp in de huishouding per 1 augustus 2005;

Herroept het besluit van 1 augustus 2005 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 22 januari 2001 tot en met 21 november 2001;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het terugvorderingsbesluit van 1 augustus 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 april 2006 in stand blijven voor zover het betreft de beëindiging van de bijzondere bijstand in de kosten van een hulp in de huishouding;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) C. van Viegen

(get.) S. van Ommen

IJ111007