Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06-3616 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3616 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 mei 2006, 05/5332 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant is met ingang van 19 september 2001 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 mei 2002 is de bijstand herzien naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft. Bij besluit van 31 juli 2002 is de uitkering met ingang van 5 juli 2002 wederom toegekend naar de norm voor een alleenstaande omdat appellant met ingang van die datum uit de instelling is ontslagen.

In juli 2004 is naar aanleiding van een melding van de Sector Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld door de sociale recherche van de gemeente Delft naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, zoals neergelegd in de rapportage van 30 september 2004, heeft het College bij besluit van 4 oktober 2004 de bijstand van appellant over de periode van 5 juli 2002 tot en met 30 juni 2004 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 5 juli 2002 tot en met 31 december 2003 tot een bedrag van € 13.915,77 bruto en over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 tot een bedrag van € 4.158,21 netto van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met [S.] (hierna: [S.]) op haar adres te Mijdrecht, waardoor appellant zijn woonplaats buiten Delft had.

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het College de bijstand van appellant op grond van artikel 3, vierde lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 5 juli 2002 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 4 oktober 2004 en 8 oktober 2004 ongegrond verklaard onder wijziging van laatstgenoemd besluit in die zin dat de datum van de intrekking wordt gesteld op 30 juni 2004 en de wettelijke grondslag wordt gesteld op artikel 40, eerste lid, van de WWB. Aan het besluit van 7 juli 2005 ligt ten grondslag dat appellant heeft verzwegen dat hij zijn woonplaats buiten de gemeente Delft heeft waardoor hij geen recht op bijstand heeft jegens het College.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de hier te beoordelen periode loopt van 5 juli 2002 tot en met 8 oktober 2004.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op uitkering.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Dit geldt ook indien, zoals in het geval van appellant, gebruik wordt gemaakt van een postadres.

Namens appellant is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting nu appellant steeds heeft opgegeven dat het adres aan de [adres] een postadres is.

Niet in geding is dat appellant zowel bij zijn aanvraag om bijstand als in het kader van de in 2003 en 2004 gehouden heronderzoeken heeft aangegeven dat het door hem opgegeven adres aan de [adres] een postadres is en dat hij in hoofdzaak bij vrienden verblijft dan wel in zijn auto slaapt.

Evenals de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat appellant ten tijde in geding niet de juiste en/of volledige gegevens over zijn woon- en leefsituatie aan het College heeft verstrekt. Appellant heeft verklaard dat hij variërend van 5 à 6 tot 7 à 8 keer per maand op de parkeerplaats bij de [adres] slaapt en ook wel bij vrienden in Rotterdam, op een niet nader genoemd adres, verblijft. Daarnaast verblijft hij ieder weekeinde bij zijn kinderen op het adres van [S.]. [S.] heeft dit laatste bevestigd. Omwonenden van het adres van [S.] in Mijdrecht hebben evenwel verklaard dat appellant in Mijdrecht woont. Daarnaast stond zijn bankrekening op het adres van [S.], was zij gemachtigd tot zijn rekening en lagen zijn kleding en administratie in haar woning en had hij ook zijn huisarts en apotheek in Mijdrecht. Hieruit heeft het College terecht de conclusie getrokken dat appellant zijn woonplaats buiten de gemeente Delft heeft. Het voorgaande betekent dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan heeft appellant over de periode in geding geen recht op bijstand.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellant over de periode van 5 juli 2002 tot en met 8 oktober 2004 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken. De Raad is aan de hand van de overgelegde medische gegevens niet gebleken dat appellant niet in staat was om juiste inlichtingen over zijn woonsituatie te verstrekken. Daarnaast kan het College op grond van deze verklaringen niet worden verweten dat hiernaar geen nader medisch onderzoek is ingesteld.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 5 juli 2002 tot en met 30 juni 2004 terug te vorderen.

Het College voert het beleid dat steeds tot volledige terugvordering wordt overgegaan tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Tenslotte is een beroep gedaan op het feit dat het College er altijd van op de hoogte is geweest dat appellant ook buiten de gemeente Delft verbleef en dat als gevolg van het niet adequaat reageren door het College het bedrag van de ten onrechte verleende bijstand hierdoor onnodig is opgelopen. Evenals bij een beroep op de in het kader van andere wetgeving eerder door de Raad gevormde zogeheten zesmaanden-jurisprudentie gaat dit niet op, omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.