Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
07-1015 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare overschrijding bezwaartermijn ambtshalve toetsen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1015 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2007, 06/672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007.

Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Van der Veldt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 december 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 7 november 2004, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, geen recht had op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Namens appellant is tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft in een brief van 5 april 2005 aan appellants gemachtigde meegedeeld dat het bezwaarschrift op 31 maart 2005 is ontvangen en verzocht om nader toe te lichten waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. In reactie op deze brief heeft appellants gemachtigde bij brief van 7 april 2005 aan het Uwv meegedeeld, dat op 10 januari 2005 per fax en per post bezwaar is gemaakt en dat in een vergelijkbaar geval de ontvangst van een bezwaarschrift door het Uwv is erkend.

Bij besluit van 2 november 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2004 alsnog niet ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft daarbij – kort samengevat – overwogen dat genoegzaam is komen vast te staan dat het per fax en per post ingediende, op 10 januari 2005 gedateerde, bezwaarschrift door het Uwv niet voor afloop van de bezwaartermijn is ontvangen. De enkele verwijzing naar een faxjournaal, gedateerd 11 januari 2005, achtte de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad niet voldoende om aan te nemen dat het bezwaarschrift door het Uwv tijdig was ontvangen. De rechtbank heeft verder geen omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kon worden geacht in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

De Raad heeft vastgesteld dat partijen door de rechtbank eerst ter zitting zijn geconfronteerd met de vraag of de bezwaartermijn onverschoonbaar is overschreden. Uit de gedingstukken is niet gebleken dat de rechtbank partijen vooraf ervan op de hoogte heeft gesteld dat die vraag ter zitting aan de orde zou worden gesteld. Zoals de Raad reeds eerder heeft beslist, acht de Raad deze gang van zaken in strijd met de regels van een behoorlijke procesorde, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

De Raad onderschrijft wel de overwegingen die de rechtbank hebben geleid tot het oordeel dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De terzake opgeworpen grieven van appellant moeten worden verworpen. In aanmerking genomen dat de rechter gehouden is de ontvankelijkheid van het bezwaar, als zijnde van openbare orde, ambtshalve te toetsen kan niet worden gezegd dat de rechtbank de omvang van het geding te buiten is gegaan dan wel dat aan de rechtbank slechts een marginale toetsingsbevoegdheid toekwam.

Gezien het vorenstaande zal de Raad onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2004 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2004 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

MH