Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06/5818 WWB, 06/5819 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering, aangezien onvoldoende gegevens verstrekt om recht op uitkering te kunnen vaststellen. Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5818 WWB

06/5819 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te Veenendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2006, 06/638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2007. Namens appellanten is mr. Van Ham verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R.E. Bol, werkzaam bij de gemeente Veenendaal.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvangen een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

In het kader van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand zijn appellanten bij brief van 16 februari 2005 uitgenodigd voor een gesprek op 2 maart 2005. Hierbij is appellanten verzocht om de op een bij de brief behorende checklist aangekruiste gegevens waaronder bankafschriften mee te nemen. Uit de ingeleverde bankafschriften is het College - onder meer - gebleken dat appellanten beschikken over en gebruikmaken van een Visa-creditcard, welke zij niet eerder hebben gemeld.

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het College met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2005 opgeschort op de grond dat appellanten niet alle gegevens hebben verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Bij dat besluit heeft het College voorts appellanten tot en met 15 maart 2005 in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door, voor zover hier van belang, alsnog de afschriften van de creditcard vanaf 1 januari 2002, of vanaf de datum van aanschaf van de creditcard, tot en met 15 maart 2005 over te leggen. Het College heeft daarbij vermeld dat, indien de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn worden ingeleverd, de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB zal worden beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 20 april 2005 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2005 ingetrokken op grond dat appellanten niet binnen de geboden hersteltermijn de gevraagde gegevens hebben ingeleverd. De door appellanten aangevoerde omstandigheden vormen volgens het College geen redenen om van de intrekking van bijstand af te zien.

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het College de kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.057,-- over de periode van 1 maart 2005 tot en met 30 juni 2005 van appellanten teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB.

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 20 april 2005 en 28 juli 2005, onder wijziging van de ingangsdatum van de intrekking in 2 maart 2005, ongegrond verklaard. Als reden voor deze wijziging heeft het College overwogen dat appellanten vanaf 2 maart 2005 in verzuim waren, omdat zij waren uitgenodigd voor die datum de benodigde gegevens over te leggen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 9 januari 2006, voor zover dat besluit betrekking heeft op de primaire besluiten van

20 april 2005 en 28 juli 2005, ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in zoverre gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of het door het College gehandhaafde besluit tot intrekking van de bijstand ingaande 2 maart 2005 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

De door het College bij het besluit van 7 maart 2005 aan appellanten gevraagde gegevens over de creditcard kunnen naar het oordeel van de Raad worden beschouwd als gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Aangezien appellanten de creditcard niet aan het College hebben gemeld, waren zij in ieder geval vanaf 2 maart 2005 in verzuim ten aanzien van de op hun rustende inlichtingenverplichting. Verder is ter zitting komen vast te staan dat appellanten de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben ingeleverd. Niet gesteld noch gebleken is dat appellanten niet binnen de gestelde hersteltermijn over die gegevens hebben kunnen beschikken.

Uit het voorgaande volgt dat aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 2 maart 2005. De Raad ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Terugvordering

De Raad stelt allereerst vast dat het College reeds in de procedure in eerste aanleg heeft erkend dat de terugvordering zich ten onrechte ook uitstrekt over 1 maart 2005. Desondanks heeft de rechtbank het besluit van 9 januari 2006 voor wat betreft de terugvordering in stand gelaten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 9 januari 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover daarbij het primaire besluit tot terugvordering van 28 juli 2005 in stand is gelaten.

Het College heeft ter zitting een berekening overgelegd. Volgens het College dient de terugvordering gecorrigeerd te worden naar de periode van 2 maart 2005 tot en met

30 juni 2005. Voorts dient volgens het College het terug te vorderen bedrag gewijzigd te worden in € 4.036,42.

De Raad overweegt omtrent dit nadere standpunt van het College het volgende.

Ondanks de besluiten tot opschorting en intrekking van bijstand per 1 maart 2005 is de maandelijkse betaling van bijstand aan appellanten nog voortgezet tot en met de maand juni 2005. Hier is sprake van een administratieve vergissing die bij de uitbetaling van de bijstand is begaan.

De Raad verwerpt de grief van appellanten dat het hun redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zij geen recht hadden op de betaalde bijstand over de periode van 2 maart 2005 tot en met 30 juni 2005. Zij waren immers bekend met het besluit tot opschorting en intrekking van de bijstand. Aan de in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is dan ook voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de genoemde periode over te gaan.

De Raad stelt vervolgens vast dat het College in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering van bijstand geformuleerde beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van zijn beleid had moeten afwijken.

Gelet op het voorgaande zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal daartoe het besluit van 28 juli 2005 herroepen en bepalen dat de kosten van bijstand over de periode van 2 maart 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 4.036,42 van appellanten worden teruggevorderd.

Slotoverweging

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die appellanten redelijkerwijs in verband met de behandeling van hun bezwaar en hoger beroep hebben moeten maken. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar en op

€ 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de terugvordering;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 januari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het besluit van 28 juli 2005 is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 28 juli 2005;

Bepaalt dat de kosten van bijstand over de periode van 2 maart 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 4.036,42 van appellanten worden teruggevorderd;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de door appellanten gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Veenendaal aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Veenendaal aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op

23 oktober 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

IJ