Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06/4981 WWB, 06/4984 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Onjuiste inlichtingen over woonsituatie? Onderzoek zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4981 WWB

06/4984 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 juli 2006, 05/2095 en 05/2150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.G. van der Donck, advocaat te Houten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Voor appellante is verschenen mr. Van der Donck. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

H. van der Kolk en R. Sintmaartensdijk, werkzaam bij de gemeente Nunspeet.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 december 1998 een bijstandsuitkering, vanaf

7 november 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 10% omdat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander. Aan de gemeente heeft appellante opgegeven te wonen in een toercaravan op het adres [adres]. Op dit adres - het gaat hier om een woonwagenkamp - stond tevens ingeschreven [D.] (hierna: [D.]), die in hetzelfde vak van het kamp waarop de toercaravan van appellante stond een woonwagen bewoont.

Naar aanleiding van het bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Nunspeet gerezen vermoeden dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft op het door haar opgegeven adres, heeft de afdeling bijzondere controle van de Regio Noord-Veluwe een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben twee controleurs een bezoek gebracht aan de toercaravan, bij welke gelegenheid met appellante is gesproken. Vervolgens hebben de controleurs getracht een bezoek af te leggen in de woning van de zoon van appellante, in welke woning zich spullen van appellante zouden bevinden. Als gevolg van onenigheid tussen de controleurs en deze zoon heeft dat huisbezoek geen doorgang kunnen vinden. De controleurs hebben vervolgens hun bevindingen van het bezoek aan de toercaravan en aan de woning van de zoon van appellante, alsmede hun advies over de te nemen beslissingen neergelegd in rapporten van 13 mei 2005, respectievelijk 12 mei 2005 en 18 mei 2005. Daarbij is onder meer gesignaleerd dat in de toercaravan geen persoonlijke spullen (zoals kleding en toiletartikelen), en geen drinken of etenswaren waren aangetroffen, dat er niet gekookt kon worden, dat koelkast, kachel en fornuis niet waren aangesloten, dat er geen gas- en watervoorziening was, en dat de slaapplaats niet voor normaal gebruik was ingericht.

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 12 mei 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante geen juiste inlichtingen over haar woonsituatie heeft verstrekt, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Tevens is bij dit besluit de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2005 tot 12 mei 2005 verlaagd met 5% op de grond dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het College het tegen het besluit van 31 mei 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich op 16 juni 2005 bij het CWI gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Daarbij heeft zij verzocht om toekenning van de bijstand over de periode van 12 mei 2005 tot 27 juni 2005, aangezien zij met ingang van laatstgenoemde datum inkomen uit arbeid heeft. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 november 2005 heeft het College het tegen het besluit van 2 augustus 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat over de periode van 12 mei 2005 tot 16 juni 2005 geen bijstand wordt toegekend omdat bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, en dat over de resterende periode geen recht op bijstand bestaat omdat appellante heeft verklaard dat de woonsituatie niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie op 12 mei 2005, dan wel omdat de woonsituatie nog steeds onduidelijk is.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van

27 oktober 2005 en 3 november 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de bijstand berust op de bevindingen van het door twee bijzonder controleurs in de toercaravan van appellante ingestelde onderzoek. Zij hebben over dat onderzoek op 13 mei 2005 gerapporteerd, en in die rapportage tevens opgenomen hetgeen appellante tegenover hen heeft verklaard. Appellante heeft naderhand de onderzoeksbevindingen deels tegengesproken, mede aan de hand van op 13 mei 2005 gemaakte foto’s van het interieur van de toercaravan, en deels daarvoor een verklaring gegeven. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de zich op het vak bevindende unit, waarin zich volgens haar voorzieningen bevinden die zij kon benutten, en waarin ook spullen van haar waren geplaatst.

De rapportage van de controleurs is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Verder is komen vast te staan dat het verslag van de bevindingen en van het gesprek met appellante niet aan haar is voorgelezen, en dat het verslag van hetgeen zij zou hebben verklaard ook niet door haar is ondertekend. Als gevolg van een en ander zijn er naar het oordeel van de Raad onvoldoende waarborgen dat het rapport, voor zover door appellante betwist, een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is waargenomen en verklaard. Tegen de achtergrond van het voorgaande kan voorts niet met zekerheid worden gezegd - zoals het College stelt - dat appellante in de loop van de procedure tegenstrijdige verklaringen over haar woonsituatie heeft afgelegd.

Mede gelet op het verhandelde van de zitting van de Raad, staat verder vast dat de rapporteurs na het mislukken van het huisbezoek bij de zoon van appellante geen nader onderzoek hebben verricht. De Raad laat thans in het midden aan wie het is te wijten of voor wiens risico het moet blijven dat het huisbezoek bij de zoon van appellante niet heeft kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de Raad heeft het hoe dan ook op de weg van de controleurs gelegen om [D.] te horen over de woonsituatie van appellante op zijn woonvak, en om vervolgens appellante nader te ondervragen over de onderzoeksbevindingen. Daarbij betrekt de Raad dat appellante, zoals door haar is aangevoerd en door het College niet is tegengesproken, een toeslag van 10% op haar uitkering ontving op grond van de aanname dat zij vanwege haar woonsituatie op het woonvak van [D.] noodzakelijke kosten van het bestaan met hem kon delen.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het besluit van 27 oktober 2005 voor zover het de intrekking betreft onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dit besluit komt in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat appellante onjuiste informatie over haar woonsituatie heeft verstrekt, zodat de aan appellante wegens schending van de inlichtingenverplichting opgelegde maatregel tot verlaging van de bijstand een deugdelijke grondslag ontbeert. Ook in zoverre kan het besluit van

27 oktober 2005, als in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering, niet in stand worden gelaten.

Tevens vloeit uit het voorgaande voort dat het ervoor moet worden gehouden dat appellante vanaf 12 mei 2005 nog (steeds) recht op bijstand had. Dat betekent dat zij geen aanvraag om bijstand hoefde te doen en dat, achteraf bezien, voor afwijzing van die aanvraag geen plaats was. Het besluit van 3 november 2005 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien de rechtbank een en ander niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en de besluiten van 27 oktober 2005 en

3 november 2005 vernietigen. Voorts zal de Raad het College opdragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van 31 mei 2005 en 2 augustus 2005, met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 966,-- in beroep, en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 27 oktober 2005 en 3 november 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op de bezwaren tegen de besluiten van 31 mei 2005 en 2 augustus 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.610,--, te betalen door de gemeente Nunspeet;

Bepaalt dat de gemeente Nunspeet aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

GG