Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06/4183 WWB, 06/4995 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herstel verzuim. Afwezigheid. Korte hersteltermijn.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 356
ABkort 2007/556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4183 WWB

06/4995 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2006 , 05/2301 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.R.A. Röschlau, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007, waar appellant zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Röschlau.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan betrokkene is met ingang van 1 november 2003 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van een herbeoordeling van het recht op bijstand van betrokkene is appellant gebleken dat de bankafschriften van betrokkene zijn geadresseerd aan een adres in Overberg en dat diverse banktransacties hebben plaatsgevonden in Veenendaal.

In verband hiermee is het vermoeden gerezen dat betrokkene niet langer woonachtig was op het adres van haar moeder te Maarssen. Op 3, 9 en 10 december 2004 heeft appellant getracht een huisbezoek bij betrokkene af te leggen waarbij niet werd opengedaan.

Vervolgens is betrokkene uitgenodigd om op 13 december 2004 te verschijnen om een aantal vragen te beantwoorden maar is zij zonder bericht van verhindering niet verschenen. Op 14 december 2004 heeft haar moeder telefonisch, zonder opgave van redenen, doorgegeven dat haar dochter verhinderd was te verschijnen.

Bij besluit van 24 december 2004 heeft appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 1 december 2004 opgeschort. Appellant heeft hierbij aangegeven tot dit besluit te zijn gekomen omdat betrokkene de afspraak van 13 december 2004 zonder geldige reden niet is nagekomen en hierdoor niet heeft voldaan aan de verplichting die aan de uitkering is verbonden. Appellant heeft betrokkene bij dat besluit vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 28 december 2004 om haar gegevens te bespreken. Daarbij is betrokkene verzocht al haar bankafschriften van de laatste zes maanden mee te nemen. Appellant heeft daarbij vermeld dat, indien betrokkene niet verschijnt op de afspraak, de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB zal worden beëindigd. Betrokkene is zonder tegenbericht niet op die afspraak verschenen.

Bij besluit van 3 januari 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2005 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, omdat zij haar verplichting om op 28 december 2004 te verschijnen niet is nagekomen.

Vervolgens heeft betrokkene op 5 januari 2005 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van appellant van 17 januari 2005 afgewezen op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB, omdat niet aannemelijk is dat betrokkene haar hoofdverblijf heeft in de gemeente Maarssen.

Bij besluit van 15 juli 2005 heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 3 januari 2005 en 17 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene haar woonplaats niet uit de gemeente Maarssen heeft verplaatst. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Op 22 augustus 2006 heeft appellant een nieuw besluit genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, waarbij de intrekking van de bijstand met ingang van

1 januari 2005 is gehandhaafd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank haar oordeel over de intrekking van de uitkering heeft gebaseerd op een niet door appellant aan het besluit van 15 juli 2005 ten grondslag gelegde grond, nu de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WWB terwijl aan het besluit van 15 juli 2005 - voor zover daarbij het besluit van 3 januari 2005 is gehandhaafd - intrekking van de uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag ligt.

Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding, dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd alsnog toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet op (de motivering van) het in beroep bestreden besluit.

De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent de proceskosten en het griffierecht.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad overweegt daartoe het volgende.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Betrokkene heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de in het besluit van

15 juli 2005 gehandhaafde intrekking van het recht op bijstand ingaande 1 januari 2005 in rechte stand kan houden. Naar vaste rechtspraak staat in het kader van een heroverweging van een besluit op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB uitsluitend ter beoordeling of betrokkene (verwijtbaar) heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken.

De Raad beantwoordt deze vraag anders dan appellant ontkennend.

Appellant heeft aangevoerd dat het opschortingsbesluit van 24 december 2004 op die datum in de brievenbus van de woning van appellante is gedeponeerd. Betrokkene betwist niet dat het besluit van 24 december 2004 op haar adres is bezorgd, maar stelt dat zij vanwege afwezigheid in verband met de feestdagen en de verzorging van haar zieke vriend eerst begin januari 2005 van dat besluit kennis heeft kunnen nemen. Daarnaast was, zo stelt betrokkene, haar moeder op dat moment in het buitenland.

De Raad acht het niet onaannemelijk dat betrokkene in verband met de door haar genoemde omstandigheden elders verbleef. Naar het oordeel van de Raad hoefde betrokkene voor de hier relevante periode ook geen voorziening te treffen voor de tijdens haar afwezigheid in de brievenbus van haar woning bezorgde poststukken. Door betrokkene vlak voor Kerst uit te nodigen voor een tussen Kerst en Oud en Nieuw te houden gesprek, heeft appellant het risico genomen dat betrokkene deze uitnodiging te laat onder ogen zou krijgen. Nu niet met zekerheid valt vast te stellen dat betrokkene tijdig van de inhoud van het opschortingsbesluit op de hoogte was dan wel kon zijn, en mede in aanmerking genomen de korte hersteltermijn, kan aan betrokkene niet worden tegengeworpen dat zij de in het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn ongebruikt heeft laten verstrijken.

Gegeven dit oordeel was appellant niet bevoegd de bijstand van betrokkene met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 januari 2005 in te trekken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het ervoor moet worden gehouden dat betrokkene vanaf 1 januari 2005 nog (steeds) recht op bijstand had. Dat betekent dat zij geen aanvraag om bijstand hoefde te doen en dat, achteraf bezien, voor afwijzing van die aanvraag geen plaats was.

Gelet op het voorafgaande zal de Raad het beroep tegen het besluit van 15 juli 2005 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet en met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

Het voorgaande brengt tevens mee dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 22 augustus 2006 voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad zal appellant opdragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 3 januari 2005 en 17 januari 2005, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal appellant tevens (opnieuw) dienen te beslissen op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent de proceskosten en het griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 15 juli 2005 en 22 augustus 2006;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Maarssen.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ