Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
05/6927 + 07/1291 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit bezwaar werkgever/eigenrisicodrager ontvankelijk verklaard. Premie differentiatie. Vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer aan de orde, nu WAO-toekenningsbesluit in recht vaststaat.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6927 + 07/1291 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2005, 04/5546 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.T. Sick, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 11 januari 2007 een nieuw besluit genomen. De Raad heeft bij brief van 5 maart 2007 aan partijen en aan de rechtbank medegedeeld dat vooralsnog is besloten om bij de behandeling van het geding tevens een oordeel te geven over het nieuwe besluit.

Namens appellant zijn nadere grieven aangevoerd tegen het nieuwe besluit, waarop het Uwv een reactie heeft gegeven.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 september 2007, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 juni 2004 heeft het Uwv aan appellant bericht dat hij met ingang van

1 juli 2004 wordt aangemerkt als eigen-risicodrager. Bij brieven van 4 augustus 2004 en 17 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellant verzocht om aan [werknemer], een ex-werknemer van appellant (hierna: de werknemer), een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) uit te betalen.

Namens appellant is tegen de brief van 17 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 15 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de brief van 17 augustus 2004 slechts de uitvoering is van het besluit van 29 juni 2004 en derhalve niet op rechtsgevolg is gericht. Daarom gaat het volgens het Uwv niet om een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 november 2004, hierna: bestreden besluit 1, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 17 augustus 2004 niet op rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (LJN: AR5915), waarbij de Raad over een soortgelijke brief oordeelde dat dit geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de brief van 17 augustus 2004 wel degelijk als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt, omdat deze is gericht op rechtsgevolg. In die brief wordt appellant voor het eerst geconfronteerd met het feit dat het Uwv meent dat de WAO-uitkering van de werknemer door appellant betaald moet worden. Appellant is van mening dat het voor hem op enig moment mogelijk moet zijn bezwaar te maken tegen het feit dat de WAO-uitkering van een bepaalde werknemer voor zijn risico komt. Appellant stelt zich op het standpunt dat de werknemer al arbeidsongeschikt was toen hij bij hem in dienst kwam en dat het Uwv daarom ten onrechte de WAO-uitkering voor rekening van appellant laat komen.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv hem noch bij de beoordeling van zijn aanvraag hem aan te merken als eigen-risicodrager, noch bij de beslissing op die aanvraag van 29 juni 2004, heeft geïnformeerd over het feit dat hij aan een van zijn ex-werknemers een WAO-uitkering zou moeten gaan betalen. Eerst door de brief van 17 augustus 2004 werd hij hiervan op de hoogte gesteld. Dit is volgens appellant in strijd met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.

De Raad heeft bij brief van 21 november 2006 aan het Uwv medegedeeld dat zijn jurisprudentie, waarnaar de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft verwezen, inmiddels is gewijzigd. In een uitspraak van 10 oktober 2006, LJN: AZ0127, heeft de Raad, anders dan voorheen, geoordeeld dat een brief aan een werkgever met informatie over de gevolgen van het eigenrisicodragerschap na toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex-)werknemer, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad heeft aan het Uwv gevraagd of de wijziging van de jurisprudentie van de Raad aanleiding geeft voor een wijziging van het Uwv-standpunt.

Het Uwv heeft daarop laten weten terug te komen van zijn standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Bij een op 11 januari 2007 genomen nieuw besluit op bezwaar is een inhoudelijk oordeel over het bezwaar gegeven, waarbij is besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Raad is van oordeel dat, nu het nieuwe besluit van 11 januari 2007 niet geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet komt, het beroep tegen bestreden besluit 1 ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2007 (hierna: bestreden besluit 2).

Het Uwv heeft te kennen gegeven het in bestreden besluit 1 ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Hierdoor kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Nu namens appellant een verzoek is gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Awb heeft appellant belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 1, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

Over het verzoek om schadevergoeding zal de Raad een oordeel geven nadat een oordeel is gegeven over het beroep dat moet worden geacht te zijn ingesteld tegen bestreden besluit 2.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 overwogen dat het bezwaar van appellant is gericht tegen de vaststelling van de eerste ziektedag van de werknemer. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling van de eerste ziektedag onderdeel uitmaakt van het besluit over de toekenning van de WAO-uitkering. Bij besluit van 27 maart 2002 is aan de werknemer met ingang van 13 december 1999 een WAO-uitkering toegekend, nadat de hiervoor geldende wachttijd van 52 weken was verstreken, uitgaande van

14 december 1998 als eerste ziektedag. Appellant heeft destijds een afschrift van het toekenningsbesluit gekregen. Zijn bezwaren tegen de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag had hij toen kenbaar kunnen maken. In de onderhavige procedure is dat niet meer mogelijk omdat in artikel 87e van de WAO is geregeld dat het bezwaar van een werkgever tegen de vaststelling van betaling van een WAO-uitkering niet kan zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De wetgever heeft met artikel 87e van de WAO beoogd dat de vraag of de WAO-uitkering terecht is toegekend slechts een keer aan de orde kan komen in een bezwaar- en beroepsprocedure, namelijk de procedure omtrent het WAO-toekenningsbesluit. Het WAO-toekenningsbesluit van 27 maart 2002 is inmiddels in rechte komen vast te staan.

De Raad onderschrijft dit standpunt van het Uwv. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 15 december 2005, LJN: AU8869, maakt de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag deel uit van de beslissing over de toekenning van de WAO-uitkering. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan de werkgever in een procedure tegen het WAO-toekenningsbesluit ter discussie stellen. Artikel 87e van de WAO verzet zich ertegen dat de werkgever dit nogmaals zou kunnen doen bij een besluit over de gedifferentieerde WAO-premie dan wel, in het geval van een eigen risicodrager zoals hier het geval is, bij een besluit waarbij de WAO-uitkering aan de werkgever wordt toegerekend.

Ten aanzien van de grief dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel overweegt de Raad het volgende.

Uit het dossier is de Raad niet gebleken dat het Uwv aan appellant heeft medegedeeld dat er geen lopende WAO-verplichtingen zijn. Voorts verwijst de Raad naar zijn eerder genoemde uitspraak van 10 oktober 2006, LJN: AZ0127, waarin de Raad heeft overwogen dat op de werkgever die het eigenrisicodragerschap aanvraagt een onderzoeksplicht rust. Appellant had uit onderzoek van de eigen administratie kunnen weten dat er een WAO-uitkering aan de werknemer was toegekend. Hij heeft immers destijds een afschrift van de toekenningsbeslissing ontvangen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep, voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2, niet kan slagen.

Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van vergoeding van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking. Uit het voorgaande blijkt immers dat er geen sprake is van enige nabetaling of terugbetaling van een geldsom door het Uwv aan appellant. Van schade in de vorm van gederfde rente door een vertraagde betaling is dan ook geen sprake.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 37,- in beroep en € 103,- in hoger beroep, in totaal € 140,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

MR