Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
06/6306 WWB, 06/6307 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag langdurigheidstoeslag ten onrechte afgewezen. Gehanteerd beleid College. Bestond aanleiding om van beleid af te wijken?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet werk en bijstand 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 13 met annotatie van H. van Deutekom
USZ 2008/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6306 WWB

06/6307 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2006, 05/3066 en 05/5689 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Voor appellant is verschenen mr. Koot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt in ieder geval sedert 10 december 1997 met onderbrekingen bijstand naar de norm voor een gezin, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft het College de partner van appellant, [Z.] (hierna: [Z.]) in verband met het volgen van een inburgeringstraject vanaf 20 januari 2003 ontheven van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Algemene bijstandswet voor de duur van een in het kader van het traject te volgen scholing.

Bij besluit van 11 september 2003 is aan appellant en [Z.] met ingang van 1 september 2003 een maatregel opgelegd van 20% van de bijstand gedurende één maand op de grond dat [Z.] langer dan de toegestane periode van 4 weken in het buitenland heeft verbleven waarmee zij zich onttrokken heeft aan de arbeidsbemiddeling en daarmee de arbeidsinschakeling heeft belemmerd. Tegen de opgelegde maatregel is geen bezwaar gemaakt, waarmee deze in rechte is komen vast te staan.

Appellant heeft op 10 januari 2005 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag 2005 als bedoeld in artikel 36 van de WWB.

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het College heeft [Z.] vanwege de opgelegde maatregel in september 2003 de inschakeling in de arbeid belemmerd.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 april 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft deze uitspraak bestreden. Hij heeft onder meer aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van zijn - hierna weergeven - beleid had moeten afwijken. Daarbij heeft appellant er net als in beroep op gewezen dat [Z.] ten tijde in geding was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen en dat er reeds geruime tijd voor haar geen reëel arbeidsmarktperspectief is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Het College heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleid geformuleerd. Dit beleid houdt in dat een persoon aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een gedraging van de derde of vierde categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (verder: Maatregelenbesluit), niet geacht wordt aan evenbedoelde voorwaarde te hebben voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College met dit beleid in strijd is gekomen met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden.

Zoals hiervoor is aangegeven is aan [Z.] in de referteperiode een maatregel opgelegd in verband met een gedraging van de derde categorie, te weten dat zij door een langer verblijf in het buitenland dan de toegestane periode van vier weken de arbeidsinschakeling heeft belemmerd. Gelet hierop heeft het College de afwijzing van de aanvraag om een langdurigheidstoeslag gehandhaafd op de grond dat appellant niet voldeed aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gestelde voorwaarde.

Het voorgaande brengt mee dat het College heeft besloten in overeenstemming met het ter zake opgestelde beleid. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare gegevens bijzondere omstandigheden aan de zijde van appellant die het College aanleiding hadden moeten geven daarvan af te wijken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat [Z.] niet alleen in 2003 maar ook daarna vrijgesteld was van de van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw. Gelet hierop en voorts in aanmerking nemend dat niet weersproken is de stelling van appellant dat [Z.] noch haar scholing noch haar kansen op de arbeidsmarkt concreet heeft belemmerd door langer in het buitenland te verblijven dan was toegestaan, heeft het College appellant niet in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat appellant in de referteperiode niet heeft voldaan aan het in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB opgenomen vereiste. Dit betekent dat het besluit van het College van 13 april 2005 niet in stand kan blijven omdat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten onrechte niet van zijn beleid is afgeweken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 13 april 2005 vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 januari 2005.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige door appellant aangevoerde gronden geen bespreking.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 april 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van

12 januari 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.

(get.). A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

GG