Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
05-4689 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toelichting voldoende deugdelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4689 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2005, 04/321 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.

Aan het aanvullend beroepschrift van 9 februari 2006 heeft voormelde gemachtigde een rapport van 20 januari 2006 van D.J. Schakel, medisch adviseur van het FNV toegevoegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2007. Aanwezig waren appellant in persoon en voormelde gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Tellinga.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Appellant, voorheen werkzaam als automonteur, is in 1989 uitgevallen met rugklachten. Per 14 juni 1990 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een percentage van 80 tot 100. In het kader van een herbeoordeling in 2003 is hij onderzocht door de arts F. Chan, die heeft vastgesteld dat appellant aanhoudende klachten heeft aan de rug en het rechterbeen in verband waarmee voor hem onder andere beperkingen gelden ten aanzien van statische houdingen, tillen en bukken; tevens, zo vermeldt deze arts in diens rapport, is het afwisselen van houding belangrijk. De bedoelde beperkingen heeft deze arts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal voor appellant geschikte arbeidsmogelijkheden geselecteerd, waarmee appellant een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies (aan verdiencapaciteit) resteert van minder dan 15%. Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 december 2003 ingetrokken. Na het uitbrengen van rapporten door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 5 februari 2004 (hierna het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In het kader van dit beroep zijn door de bezwaararbeidsdeskundige op 17 juni en op 9 december 2004 nadere rapporten uitgebracht.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en de betaling van griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld, dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusies waartoe de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn gekomen. De stelling van appellant dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen wordt niet of onvoldoende door de beschikbare medische gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft aldus de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat van de verschillende in eerdere fases geselecteerde functies er uiteindelijk drie aan de schatting ten grondslag zijn gelegd: te weten de productiemedewerker industrie, de machinebediende kunststof en de chauffeur/ bezorger leesportefeuille. De in de loop van de procedure gegeven toelichtingen op de geschiktheid van deze functies voor appellant heeft de rechtbank afdoende geacht. Nu deze echter (deels) dateren van na de datum van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad terzake het bestreden besluit vernietigd en – als aangegeven – de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

In hoger beroep is namens appellant, naast de herhaalde stelling dat zijn beperkingen zijn onderschat, met name aangegeven, dat de (bezwaar)verzekeringsartsen afwisseling van houding blijkens hun rapporten van groot belang achten, maar dat dit oordeel niet in de FML is verwerkt. Ter ondersteuning daarvan is gewezen op het in hoger beroep overgelegde rapport van D.J. Schakel voornoemd. Tevens is benadrukt dat de belasting van de geduide functie van chauffeur/ bezorger op enkele punten de belastbaarheid van appellant overtreft.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad merkt op, dat zowel de arts Chan als de bezwaarverzekeringsarts in hun rapporten vermelden dat afwisseling van houding voor appellant noodzakelijk is en dat het van belang voor hem is om in beweging te blijven. Desondanks is in de FML bij punt 5.9 (“afwisseling van houding”) geen beperking opgenomen. Ook D.J. Schakel voornoemd stelt dat afwisselen van houding essentieel is en dat het daarbij niet slechts moet gaan om het even vertreden, maar om een reële afwisseling; in verband daarmee zou het zitten eigenlijk beperkt moeten zijn tot 30 minuten achtereen. Het verweer van het Uwv dat de vereiste afwisseling automatisch wordt bereikt doordat in de FML het zitten is beperkt tot een uur achtereen (en het lopen tot een half uur achtereen), acht de Raad onvoldoende, met name nu de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van

17 juni 2004 ten aanzien van twee van de geselecteerde functies vermeldt dat deze overwegend zittend worden uitgevoerd en dat lopen amper voorkomt. Het ontgaat de Raad overigens wat in een geval als het onderhavige de zelfstandige betekenis nog zou zijn van het item 5.9 uit de FML indien de eventueel noodzakelijke afwisseling reeds zou worden bereikt door een enkele duurbeperking bij het item zitten (en/of staan).

Uit het voorgaande volgt, dat de Raad de geschiktheid van de geduide functies voor appellant onvoldoende toegelicht acht en dat het bestreden besluit niet op een voldoende deugdelijke grondslag berust. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het (reeds door de rechtbank vernietigde) bestreden besluit in stand te laten. Ook zal het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Voor het overige kan de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, te begroten op € 644,-. Ook dient het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, te begroten op € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Gunter.

TM