Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
06/5241 WWB, 06/5252 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Exploitatie hennepkwekerij niet gemeld. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5241 WWB

06/5252 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juli 2006, 05/4022 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Stikkelbroeck, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellanten zijn vervolgens nog stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2007. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. Stikkelbroeck, die tevens namens appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

Appellanten ontvingen sinds 28 juni 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Volgens de ter zake opgemaakte processen-verbaal heeft de regiopolitie Utrecht op 23 december 2004 in een schuur achter de woning van appellanten een hennepkwekerij aangetroffen. Daarbij werden 166 planten van ongeveer acht weken oud met bijbehorende apparatuur, waaronder 25 assimilatielampen van elk 600 watt, aangetroffen. Een fraudemedewerker van Eneco heeft vervolgens vastgesteld dat sprake was van stroomafname buiten de meter om en heeft schattenderwijs het stroomverbruik berekend. Daarbij heeft die medewerker in aanmerking genomen dat er gelet op de bij het onderzoek aangetroffen schimmelvorming op de vloer onder de planten, de vervuiling van koolstoffilters, de aangetroffen lege jerrycans van groeimiddelen, de kalkafzetting in plantenbakken en de vorming van stof op de lampen ten tijde van de ontmanteling van de kwekerij reeds twee oogsten hadden plaatsgevonden en dat de kwekerij dertig weken (210 dagen) in bedrijf was geweest.

Met betrekking tot de stroomafname buiten de meter om is een schadebedrag aan appellanten in rekening gebracht en is namens Eneco tegen appellanten tevens aangifte van diefstal gedaan.

Op basis van de onderzoeksbevindingen van de politie en Eneco heeft het College bij besluit van 1 juni 2005 de aan appellanten toegekende bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 ingetrokken en een bedrag van € 11.146,40 aan gemaakte kosten van bijstand over die periode van beiden teruggevorderd.

Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft het College het besluit van 1 juni 2005 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

26 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat de politie op 23 december 2004 in de schuur achter de woning van appellanten een in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen en dat deze door appellant werd geëxploiteerd. Gelet op de omvang van die kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat sprake is geweest van een professionele kwekerij. Appellanten hebben hiervan geen melding gemaakt bij het College.

Appellanten hebben weersproken dat er voor de ontmanteling op 23 december 2004 al een keer was geoogst en dat er inkomsten waren genoten. Appellant heeft in dit verband ter zitting van de Raad aangegeven dat hij eerst in september 2004 is begonnen met de voorbereidingen voor het in bedrijf stellen van de hennepkwekerij en dat de kwekerij in de eerste week van oktober 2004 in werking is getreden.

De Raad wijst er echter op dat die stelling geen ondersteuning vindt in de beschikbare stukken. Appellant heeft immers geen concrete verifieerbare gegevens willen verstrekken over de herkomst van de gebruikte apparatuur, het tijdstip waarop deze is aangeschaft en de kosten daarvan, de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Evenmin heeft appellant hiervan enige vorm van administratie bijgehouden. Dusdoende heeft appellant met betrekking tot het kunnen vaststellen van de start van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor rekening en risico van appellanten dienen te blijven. Het College is naar het oordeel van de Raad niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door, mede rekening houdend met een zekere voorbereidingsperiode, wat de aanvang van de exploitatie betreft uit te gaan van de datum 1 mei 2004.

De Raad is met name niet gebleken dat het aan dit uitgangspunt ten grondslag liggende rapport van Eneco, dat wat het geschatte aantal oogsten betreft ook door de politie is gevolgd, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In dit verband is evenmin gebleken dat de betreffende medewerker van Eneco onvoldoende deskundig zou zijn.

Aan de twee door appellanten in het geding gebrachte verklaringen kan de Raad geen zwaarwegende betekenis toekennen. Uit die verklaringen kan niet worden opgemaakt dat er vóór 11 september 2004 geen activiteiten in de kwekerij hebben plaatsgevonden, terwijl die verklaringen overigens ook te summier zijn om daaraan de door appellanten gewenste gevolgen te kunnen verbinden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellanten door het exploiteren van deze kwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet te melden de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 niet kan worden vastgesteld.

Aan het vorenstaande doet niet af dat bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 september 2006 is beslist dat onvoldoende basis aanwezig is om het wederrechtelijk verkregen voordeel van appellanten te kunnen vaststellen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit aspect immers niet van belang voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige.

Namens appellanten is ten slotte nog naar voren gebracht dat appellant door de politierechter te Utrecht is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, te weten overtreding van de Opiumwet, voorzover het althans de periode vóór 23 december 2004 betreft. Dit feit doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het vorenstaande evenwel geen afbreuk, aangezien de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet is gebonden aan het oordeel van de rechter in een strafrechtelijk geding. Dit is te minder het geval nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt, ter zake van een overtreding van een ander wettelijk voorschrift en ook een ander procesrecht van toepassing is.

Uit het voorgaande volgt dat het College bevoegd was om tot intrekking van de bijstand over te gaan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

Het College heeft in overeenstemming met zijn door de Raad in zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8022, redelijk geachte beleid besloten tot - volledige - terugvordering van appellanten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

PR