Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
06/2038 ZFW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige ZF-inschrijving. Evenwichtige belangen afweging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2038 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V., als rechtsopvolgster van de Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Spaarnelandverzekeringen U.A. (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2006, 05/2981 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene]

en

appellante

Datum uitspraak: 19 september 2007

I. PROCESVERLOOP

1.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

1.2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Kreeft, werkzaam bij appellante. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

2.1. Bij besluit van 13 augustus 2003 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam de bijstandsuitkering van betrokkene met ingang van 1 juli 2003 ingetrokken. Bij besluit van 1 juni 2005 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 januari 2006 heeft de rechtbank Rotterdam het besluit van 1 juni 2005 vernietigd en het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 augustus 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Bij besluit van 6 mei 2004 heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat hij over de periode van 1 juli 2003 tot 6 april 2004 onrechtmatig als ziekenfondsverzekerde ingeschreven heeft gestaan en dat in verband daarmee een schadevergoeding verschuldigd is van € 811,88.

2.3. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 juni 2005 ongegrond verklaard. Dit berust op het standpunt dat betrokkene is gehouden appellante alle inlichtingen te verstrekken die zij behoeft voor een goede uitvoering van de verzekering. Degenen die bij appellante als ziekenfondsverzekerde staan ingeschreven, zijn verplicht appellante terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden die tot beëindiging van de inschrijving leiden. Hiervan is betrokkene op de hoogte gesteld door middel van het verzekeringsreglement dat iedere verzekerde bij zijn inschrijving ontvangt. Aan deze verplichting heeft betrokkene niet voldaan door appellante niet te informeren over het einde van de bijstandsuitkering. Onbekendheid met de wettelijke regelingen komt voor risico van betrokkene.

2.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2005 vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is bepaald. De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet bevoegd was tot het opleggen van een schadevergoeding over de periode van 1 juli 2003 tot 6 november 2003, nu betrokkene in die periode niet bekend was met de feiten en omstandigheden die hij had moeten melden, zodat over die periode geen sprake is van tengevolge van een verzuim van betrokkene geleden schade aan de kant van appellante. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat betrokkene op het verkeerde been kan zijn gezet door de bewoordingen van het besluit van 13 augustus 2003 van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam: “Op de dag dat uw uitkering wordt beëindigd, eindigt ook uw ziekenfondsverzekering.”, in die zin dat hij kon menen dat de ziekenfondsverzekering automatisch zou zijn stopgezet per 1 juli 2003. Op 6 november 2003 kon echter van verwarring geen sprake meer zijn, omdat betrokkene een brief had ontvangen waarin erop gewezen wordt dat hij op dat moment bij appellante stond ingeschreven als ziekenfondsverzekerde, doch dat de nominale premie niet meer werd ingehouden door Sociale Zaken en Werkgelegenheid zodat hij die premie zelf diende te voldoen. Vanaf dat moment moet het betrokkene redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat zijn inschrijving als ziekenfondsverzekerde, anders dan hij veronderstelde, niet ongedaan was gemaakt.

2.5. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het de periode van 1 juli 2003 tot 6 november 2003 betreft.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Ziekenfondswet (Zfw), voor zover hier van belang, wordt al hetgeen verder de inschrijving als verzekerde betreft bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld. Daarbij kunnen verplichtingen worden opgelegd aan verzekerden.

Op grond van artikel 5, vierde lid, van de Zfw kan het ziekenfonds van degene die de regels, bedoeld in het tweede lid, niet naleeft, een vergoeding vorderen van de deswege geleden schade.

3.1.2. Op grond van artikel 14, derde lid, van het op artikel 5, tweede lid, van de Zfw gebaseerde Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: Inschrijvingsbesluit), voor zover hier van belang, dient degene die is ingeschreven bij een ziekenfonds, dit ziekenfonds terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden welke tot beëindiging van de inschrijving als verzekerde leiden.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Inschrijvingsbesluit is het ziekenfonds bevoegd een vergoeding te vorderen voor schade die is geleden als gevolg van de omstandigheid dat degene die is ingeschreven in de verplichte verzekering verzuimd heeft het ziekenfonds waarbij hij is ingeschreven, overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge artikel 14, derde (…) lid, van het Inschrijvingsbesluit, in kennis te stellen van het einde van zijn verzekering.

3.2. De Raad stelt voorop dat betrokkene gehouden was zelf aan appellante alle inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die leiden tot het einde van de verzekering. Nu betrokkene verzuimd heeft appellante op de hoogte te brengen van de beëindiging van zijn bijstandsuitkering, was appellante gelet op de in 3.1.1. en 3.1.2. genoemde algemeen verbindende voorschriften bevoegd om een vergoeding te vorderen voor de door dit verzuim geleden schade.

3.3.1. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad mag het uitoefenen van de bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen van degene die niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering, echter geen automatisme zijn, maar dient dit te berusten op een evenwichtige belangenafweging. Daarbij moet elk geval op zijn eigen merites worden beoordeeld.

3.3.2. De Raad stelt vast dat betrokkene uit het besluit van 13 augustus 2003 heeft afgeleid dat de ziekenfondsverzekering automatisch was geëindigd en dat hij met betrekking tot dit punt geen actie meer hoefde te ondernemen. Betrokkene heeft na

13 augustus 2003 ook geen beroep meer gedaan op zijn ziekenfondsverzekering.

3.3.3. Ten onrechte heeft appellante dit punt niet betrokken in haar belangenafweging.

De Raad heeft, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de rechtbank en van de Raad, zelfs geconstateerd dat er in het onderhavige geval in het geheel geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dit brengt met zich mee dat het besluit van

23 juni 2005 tot stand is gekomen in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat de rechtbank dat besluit terecht heeft vernietigd.

3.4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak - op andere gronden - dient te worden bevestigd voor zover aangevochten. Appellante dient een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat appellante een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Eikelenboom-Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Eikelenboom-Renden.

PR