Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
06/182 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOW-pensioen, aangezien nog geen 65 jaar. Is geboortejaar juist vastgesteld? Authentieke stukken van voor binnenkomst in Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/182 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2005, 04/2703 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 4 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 maart 2006 heeft de Svb aan de Raad een nieuwe beschikking op bezwaar van dezelfde datum doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser heeft op 31 maart 2003 een aanvraag ingediend voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Bij besluit van 9 januari 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser nog geen 65 jaar is. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe het volgende overwogen. Op grond van het door verweerder gehanteerde beleid, dient eiser om te bewijzen dat hij in het jaar 1939 is geboren in plaats van het jaar 1942, een stuk te overleggen, dat is afgegeven vóór datum binnenkomst in Nederland en waarop het geboortejaar 1939 staat vermeld. Dat stuk moet door een officiële daartoe bevoegde instantie zijn afgegeven. Eiser heeft een dergelijk stuk niet overgelegd, aldus verweerder. Verweerder heeft het geboortejaar dat eiser in Nederland bij binnenkomst heeft opgegeven, namelijk 1942, aangehouden. Eiser is nog geen 65 jaar en heeft derhalve geen recht op een pensioen ingevolge de AOW, aldus verweerder.

Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. In het bevolkingsregister in Marokko staat 1939 als geboortejaar vermeld. Eiser heeft een originele geboorteakte bijgevoegd van de gemeente Imzouren te Marokko. Het jaar 1942 is niet vermeld in het bevolkingsregister in Marokko, maar is door eisers werkgever of andere Nederlandse autoriteiten aangehouden als geboortedatum toen eiser in Nederland was. Voorts heeft eiser aangevoerd dat met het certificaat ‘attestation d’individualité’ van 20 augustus 1980 afgegeven door de gemeente Imrabten Tamassint, de juistheid (verbetering) van eisers geboortedatum vaststaat, namelijk 1939 in plaats van 1942."

De rechtbank heeft vervolgens als volgt overwogen:

"Aan de orde is de vraag of verweerder het geboortejaar 1942 heeft kunnen hanteren bij de beoordeling of eiser recht heeft op een pensioen ingevolge de AOW. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van de CRvB van 23 maart 1988, gepubliceerd in RSV 1988, 244) zijn bij het vaststellen van het geboortejaar in het kader van de beoordeling van het recht op uitkering ingevolge de AOW de volgende uitgangspunten van belang. Uitgegaan wordt van de geboortedatum zoals deze bij migratie is opgegeven. Wanneer uit authentieke stukken, die tot stand zijn gekomen vóór de datum van migratie een andere geboortedatum blijkt, kan deze datum aangehouden worden, nadat deze stukken op hun echtheid getoetst zijn, aldus de CRvB.

Onder de gedingstukken bevinden zich twee verklaringen van eisers ex-werkgever, waarin het geboortejaar 1942 is vermeld. Eén van deze verklaringen is ondertekend door eiser. De rechtbank stelt gelet op deze verklaringen vast dat eiser bij binnenkomst in Nederland het geboortejaar 1942 heeft opgegeven. Voor de stelling van eiser dat zijn ex-werkgever of een Nederlandse autoriteit deze datum per abuis heeft vermeld toen hij in Nederland aankwam, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier.

Ten aanzien van de grief van eiser dat met het certificaat ‘attestion d’individualité’ afgegeven op 20 augustus 1980, nummer 581 en alle overige bewijsstukken die hij heeft overgelegd, alsmede het feit dat in het Marokkaanse bevolkingsregister 1939 als geboortejaar staat vermeld, is aangetoond dat zijn geboortejaar 1939 is, overweegt de rechtbank als volgt.

Van voornoemde door eiser overgelegde bewijsstukken van het geboortejaar van eiser, stelt de rechtbank vast dat deze allen tot stand zijn gekomen nadat eiser naar Nederland is gekomen. In het verweerschrift lijkt verweerder voor een ‘copie integrale de l’acte de Naissance’ een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de authentieke stukken dienen te dateren van vóór binnenkomst in Nederland. Ter zitting heeft verweerder echter verklaard dat ook voor een ‘copie integrale de l’acte de Naissance’ geldt dat deze dient te dateren van vóór binnenkomst in Nederland. De rechtbank gaat er van uit dat de betreffende passage in het verweerschrift ongelukkig is geredigeerd en dat ook voor een ‘copie integrale de l’acte de Naissance’ het uitgangspunt geldt dat deze dient te dateren van vóór binnenkomst in Nederland. De rechtbank stelt vast dat de ‘copie integrale de l’acte de Naissance’ na binnenkomst in Nederland tot stand is gekomen.

Gelet op vorengaande is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aan te tonen dat voor de beoordeling van zijn aanspraak krachtens de AOW uitgegaan zou moeten worden van een ander geboortejaar dan 1942."

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank, die hij tot de zijne maakt. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2007.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A.C. Palmboom.

PR