Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
06/4900 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Feitelijke woonsituatie. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4900 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2006, 04/5712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stoppelenburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M. Jong-A-Kiem, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 juli 1992 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een aan het College geretourneerd poststuk, dat aangetekend aan het door appellante opgegeven woonadres [adres] was verzonden, is bij besluit van 15 mei 2002 het recht op bijstand opgeschort met ingang van 1 mei 2002. Dit aangetekend verzonden besluit is niet afgehaald op het postkantoor en eveneens aan het College geretourneerd.

Op 4 juli 2002 is tijdens een telefonisch spreekuur een afspraak met appellante gemaakt voor een gesprek op kantoor. Appellante gaf tijdens dit gesprek op 5 juli 2002 aan sedert vier weken bij haar schoonzus te verblijven op het adres [adres 2]. Zij beschikte niet over de sleutels van de woning van haar schoonzus en ook niet over de sleutels van de woning [adres]. Een om 12.15 uur diezelfde dag afgesproken huisbezoek kon geen doorgang vinden, omdat de inmiddels door appellante opgehaalde sleutels niet bleken te passen op de bovendeur van laatstgenoemde woning. Vervolgens is een nieuwe afspraak gemaakt voor een huisbezoek, dat heeft plaatsgevonden op 8 juli 2002. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 8 juli 2002 de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2002 ingetrokken op de grond dat de woonsituatie van appellante dermate oncontroleerbaar is dat niet is vast te stellen of appellante recht op bijstand heeft.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tijdens de hoorzitting onder meer verklaard dat zij omstreeks april 2002 besloten had om bij haar broer en schoonzus te gaan logeren. Zij kon desgevraagd niet aangeven welke sleutel van haar sleutelbos toegang gaf tot de woning [adres].

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2002 ongegrond verklaard op de grond dat appellante haar informatieverplichting en haar verplichting tot medewerking als bedoeld in artikel 65 van de Abw niet heeft nageleefd en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 oktober 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onjuiste dan wel onvolledige gegevens verstrekt over de vraag op welk adres zij in hoofdzaak verbleef en daarmee haar inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet langer was vast te stellen.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft de overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij voegt daar nog aan toe dat op grond van de onderzoeksbevindingen, in onderling verband en samenhang bezien met het verslag van de hoorzitting in bezwaar, voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellante vanaf omstreeks april 2002 in hoofdzaak niet meer op het door haar opgegeven adres verbleef. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij dit feit, dat van belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand, aan het College had moeten melden. Door dit niet onverwijld te doen is onduidelijkheid over de feitelijke woonsituatie van appellante in de hier van belang zijnde periode ontstaan. De Raad stelt verder vast dat die onduidelijkheid ook thans niet is opgeheven, met als gevolg dat het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode van 1 mei 2002 tot en met 8 juli 2002 (datum primair besluit) niet meer kan worden vastgesteld. Dit wordt niet anders door de gestelde psychische problemen van appellante en ook niet door het door haar gemachtigde vermelde feit dat naar aanleiding van een nieuwe aanvraag op 10 augustus 2002 en een daarop gevolgd huisbezoek per 10 augustus 2002 opnieuw bijstand aan appellante is toegekend.

Met het voorgaande is gegeven dat het College op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken. De Raad volgt de gemachtigde van appellante niet in haar stelling dat die intrekking niet per 1 mei 2002 had mogen ingaan. Van strijd met het rechtszekerheids-beginsel is hier geen sprake, nu aannemelijk is dat zij (ook) over haar feitelijke woonsituatie in de maand mei 2002 onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt. In hetgeen door en namens appellante naar voren is gebracht ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

Nu het beroep terecht ongegrond is verklaard, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

PR