Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
06/6502 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel tijdelijke verlaging bijstandsuitkering. Verwijtbaarheid gedraging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6502 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2006, 04/5204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 06/6503 WWB, plaatsgevonden op 28 augustus 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant was voor [naam werkgever]. Bij brief van 25 juli 2003 heeft dit bedrijf aan appellant medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst, gelet op het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, met onmiddellijke ingang als ontbonden wordt gezien.

Vervolgens heeft appellant op 28 juli 2003 een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het College aan appellant met ingang van 28 juli 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Daarbij heeft het College met ingang van 28 juli 2003 een maatregel opgelegd, inhoudende de verlaging van de bijstand met 100% vanaf 28 juli 2003 gedurende een maand.

Bij besluit van 2 september 2004, nummer 200306066/200307934, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2003 ongegrond verklaard. Het College heeft hierbij overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat zijn luchthavenpas door eigen toedoen is ingenomen. Het College acht geen omstandigheden aanwezig om de maatregel te matigen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen voormeld besluit van 2 september 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt, waarbij hij voor de in dit geding van belang zijnde bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak, waarin deze zijn aangehaald.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant is ontslagen bij [naam werkgever] omdat zijn luchthavenpas is ingenomen in verband met vermeende diefstal, zodat appellant zijn werkzaamheden feitelijk niet meer kon verrichten. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant zijn ontslag niet juridisch heeft aangevochten of hiertegen op enige andere wijze verweer heeft gevoerd. Volgens de rechtbank is reeds hierom sprake van het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking. Aan de vraag of daadwerkelijk sprake is geweest van diefstal wordt niet toegekomen.

Appellant heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat er van zijn kant geen sprake is geweest van enige vorm van verwijtbaarheid bij zijn ontslag uit dienstbetrekking bij [naam werkgever] Hij ontkent goederen gestolen en/of verduisterd te hebben. Door een besluit van de AIVD is zijn schipholpas ingetrokken. Ook al had hij bezwaar gemaakt dan had hij zonder luchthavenpas voorlopig niet op Schiphol kunnen werken.

In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. De reden die appellant noemt waarom hij niet op enigerlei wijze tegen zijn ontslag is opgekomen, namelijk dat hij in dat geval voorlopig toch niet op Schiphol had kunnen werken, acht de Raad geen verschoonbare reden die appellant ontsloeg van zijn verantwoordelijkheid om alles in het werk te stellen zijn arbeid te behouden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College de genoemde handelwijze van appellant terecht heeft gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als vermeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (het Maatregelen-besluit). Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit bepaalt dat bij een gedraging van de vierde categorie de weigering van de bijstand bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw wordt vastgesteld op 100% van de bijstand gedurende een maand. De Raad is niet gebleken dat de omstandigheden van appellant of de mate van verwijtbaarheid aanleiding zijn de maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een lager percentage vast te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen dringende reden als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om van het opleggen van een maatregel af te zien.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

PR