Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
05-7184 WAO en 05-7185 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vijfdejaarsherbeoordeling: ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Geen grond voor twijfel aan de vastgestelde medische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7184 WAO en 05/7185 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2005, 04/2238 en 04/3410 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.F. Bergman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als sauskoker bij [werkgeefster]. ([werkgeefster]) toen hij op 26 februari 1998 uitviel wegens rugklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Appellant ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit zijn uitkeringssituatie ingevolge de WW heeft appellant zich op 11 juli 2002 ziek gemeld met rug- en spanningsklachten. Hij was toen gedurende vier uur per dag werkzaam bij [werkgeefster]. Voor dat werk heeft appellant zich niet ziek gemeld. Terzake van de ziekmelding vanuit de WW heeft appellant gedurende 52 weken ziekengeld ontvangen, omdat hij naast zijn niet passend geachte werkzaamheden bij [werkgeefster] niet in staat werd geacht om de in het kader van de WAO passend geachte functies te verrichten. Bij besluit van 6 november 2003 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 25-35%. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juni 2004 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

In het kader van de zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 8 juni 2004 aan appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende WAO-uitkering per 25 februari 2004 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het daartegen gemaakt bezwaar is bij besluit van 4 november 2004 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van de beschikbare gegevens geen grond ziet voor het oordeel dat appellants medische beperkingen tot het verrichten van arbeid door (de artsen van) het Uwv zijn onderschat. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank overwogen dat één van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten die van productiemedewerker textiel, geen kleding, gelet op het geringe aantal arbeidsplaatsen (namelijk 6), niet bij de schatting mocht worden betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van bestreden besluit I in stand te laten. Daartoe heeft zij overwogen dat weliswaar aan appellant de reservefunctie van productiemedewerker is voorgehouden, maar onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat ook voor deze functie een vergelijking van de functiebelasting met de belastbaarheid van appellant heeft plaatsgevonden. Omdat de andere reservefunctie van textielproducten-maker is komen te vervallen, berust de schatting op een onvoldoende aantal functies.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat appellants medische beperkingen tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Ook de arbeidskundige kant van bestreden besluit is door haar in stand gelaten.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over zowel bestreden besluit I als bestreden besluit II aangevochten. Aangevoerd is dat het Uwv de voor hem geldende medische beperkingen ten gevolge van lichamelijke en psychische klachten onjuist heeft beoordeeld en vastgesteld. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor hem passend zijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er geen grond voor twijfel is aan de door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde medische beperkingen van appellant op de beide data in geding en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank terzake.

De Raad voegt hieraan toe dat aan de rug van appellant geen objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld en dat hij in het rapport van de psychiater P.J.H. Notten van 7 februari 2003 geen objectief-medische aanknopingspunten heeft gevonden die aanleiding geven tot het aannemen van meer beperkingen dan die welke ten grondslag zijn gelegd aan de beide bestreden besluiten.

Ook in het door appellant in hoger beroep overgelegde stuk betreffende de intake van 8 mei 2006 door de psychiater C. Klop kunnen naar het oordeel van de Raad geen objectief-medisch gefundeerde gegevens worden afgeleid die doen twijfelen aan de ten aanzien van appellant door het Uwv per beide data in geding vastgestelde belastbaarheid.

De in hoger beroep naar voren gebrachte grieven ten aanzien van de medische grondslag van beide besluiten treffen derhalve geen doel.

Wat de arbeidskundige kant van bestreden besluit I betreft stelt de Raad vast dat het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak. In verband met de schorsende werking van het namens appellant ingestelde hoger beroep is geen gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Nu de Raad geen grond ziet voor vernietiging van het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel over de medische kant van bestreden besluit I, zal de Raad zich thans niet uitlaten over de arbeidskundige kant van de zaak. Deze zal door het Uwv opnieuw ten volle dienen te worden bezien.

Wat betreft de arbeidskundige kant van bestreden besluit II deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de ten aanzien van appellant vastgestelde medische beperkingen, hij in staat moet worden geacht de functies van inpakker (handmatig), machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) en productiemedewerker textiel, geen kleding, te vervullen. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapporten van 27 mei 2004 en 27 oktober 2004 afdoende heeft gemotiveerd dat deze functies als passend voor appellant zijn aan te merken.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

GdJ