Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
05-6877 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Eerste besluit ingetrokken? Is nader besluit een vergissing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6877 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2005, 04/3523 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2007, gevoegd met het geding onder nr. 05/6875 WAO. Appellant is verschenen bij zijn voornoemde gemachtigde. Voor het Uwv is zoals aangekondigd niemand verschenen.

In de beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 13 oktober 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn beslissing van 11 februari 2004, waarbij het Uwv de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant, welke voordien was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, per 11 april 2004 heeft herzien naar de klasse 55 tot 65%.

De bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft naar aanleiding van een vraag van de rechtbank via een nieuwe raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een nadere beoordeling gemaakt van de verdiencapaciteit van appellant, en is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de zogenoemde mediane loonwaarde ten opzichte van de eerdere beoordeling gewijzigd moet worden. Hij concludeert vervolgens dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant toeneemt tot ongeveer 70%, zodat zijn mate van arbeidsongeschiktheid moet worden vastgesteld op

65 tot 80%.

Het Uwv heeft formeel gevolg gegeven aan deze rapportage en heeft bij brief van

26 mei 2005, waarbij de rapportage als bijlage is gevoegd, aan de rechtbank bericht, waarbij appellant als eiser is aangeduid:

“Onder verwijzing naar uw brief van 18 mei 2005 doen wij u bijgaand de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige d.d. 25 mei 2005 en de functiebeschrijvingen toekomen. De bezwaararbeidsdeskundige komt in zijn rapportage tot de conclusie dat eiser per datum in geding, 11 april 2004, ongewijzigd 65 tot 80% arbeidsongeschikt beschouwd moet worden. Wij achten dit juist.

Als gevolg hiervan handhaven wij niet langer de beslissing op bezwaar van

13 oktober 2004.”

Deze brief met bijlage is op 27 mei 2005 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft na het onderzoek ter zitting op 27 mei 2005, waar partijen zoals tevoren was bericht niet zijn verschenen, het onderzoek heropend om appellant in de gelegenheid te stellen op de genoemde brief te reageren. Op 1 juni 2005 is de brief door de rechtbank aan appellant gezonden, die eerst ter zitting van 21 september 2005 bij monde van zijn gemachtigde op de brief heeft gereageerd.

Volgens het betreffende proces-verbaal, heeft de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting van de rechtbank d.d. 21 september 2005 meegedeeld, dat de berekening door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 25 mei 2005 van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onjuist was. Bij een juiste berekening zou appellant voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt zijn gebleven. De vertegenwoordiger heeft aangegeven dat het primaire besluit eigenlijk juist was, maar dat dit niet meer kan worden teruggedraaid.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 13 oktober 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank voor zover in casu relevant overwogen, dat het Uwv hangende het beroep te kennen heeft gegeven het standpunt in het bestreden besluit niet langer te handhaven, maar dat het Uwv dit standpunt niet heeft vastgelegd in een schriftelijk besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch het bestreden besluit met zoveel woorden heeft ingetrokken. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat de belasting van de door de bezwaararbeidsdeskundige blijkens zijn rapportage van 25 mei 2005 geselecteerde functies, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt, terwijl gelet op hetgeen appellant met die functies zou kunnen verdienen, volgens de arbeidsdeskundige een verlies aan verdienvermogen resteert van ongeveer 70%. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat de arbeidsdeskundige daarbij een verkeerde rekenmethode heeft gehanteerd. Bij de berekening volgens de juiste rekenmethode is sprake van een verlies aan verdienvermogen van ongeveer 57%. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat bij het primaire besluit eisers mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden was vastgesteld op 55 tot 65%, en dat de rechtbank derhalve geen aanleiding ziet het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Daarnaast is aangevoerd dat nu het Uwv het standpunt aangaande de mate van arbeidsongeschiktheid niet heeft gehandhaafd, de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, en in ieder geval de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant (onveranderd) op 65 tot 80% had moeten stellen. Omdat het Uwv met de wijziging naar 65 tot 80% niet geheel aan de wensen van appellant tegemoet was gekomen, heeft appellant zijn beroep gehandhaafd. Door nu uit te gaan van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% wordt appellant benadeeld.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard, dat hij na het ontvangen van de brief met bijlage van 26 mei 2005 had gezien dat het percentage door de arbeidsdeskundige onjuist was berekend, en voorts dat hij appellant daarvan ook mondeling of telefonisch op de hoogte heeft gesteld. Desondanks is de gemachtigde van oordeel dat het het Uwv en de rechtbank niet vrij stond om na de duidelijke aankondiging verder uit te gaan van de lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Het Uwv is van mening dat de rechtbank terecht het bestreden besluit van

13 oktober 2004 in haar uitspraak heeft beoordeeld, omdat het Uwv dat besluit niet met zoveel woorden heeft ingetrokken, en ook geen nieuw besluit heeft genomen. Het Uwv stelt dat sprake was van een kennelijke vergissing, die ook voor appellant kenbaar was. Het Uwv mocht terugkomen op de foute mededeling, temeer omdat er feitelijk geen betaling naar de hogere klasse heeft plaats gehad. Er is geen sprake geweest van rechtens te honoreren verwachtingen.

De Raad overweegt als volgt.

Tijdens het geding bij de rechtbank heeft het Uwv schriftelijk te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd. Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit hierdoor geacht worden te zijn ingetrokken. Daar kan niet aan afdoen dat het Uwv niet met zoveel woorden het bestreden besluit heeft ingetrokken, nu de Raad aan de expliciete en zonder voorbehoud gedane - en aldus niet mis te verstane - mededeling dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd, geen andere gevolgtrekking vermag te verbinden.

Dat de berekening van het nieuwe arbeidsongeschiktheidspercentage een vergissing van de bezwaararbeidsdeskundige was, en dat (de gemachtigde van) appellant daar al rekening mee hield, leidt de Raad ook niet tot een andere conclusie. Hierbij acht de Raad met name van belang dat het Uwv de gemaakte vergissing niet onverwijld heeft hersteld, maar daarentegen in zijn eerder vermelde brief aan de rechtbank de nadere conclusies van zijn bezwaararbeidsdeskundige expliciet heeft onderschreven. Daarnaast geldt dat het slechts ging om een betrekkelijk kleine aanpassing van één klasse en dat een dergelijke wijziging van het standpunt van het Uwv in een procedure als de onderhavige niet ongewoon is.

De rechtbank had vervolgens dienen te beoordelen of appellant nog belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het inmiddels ingetrokken besluit, wat het geval zou zijn geweest, indien appellant schadevergoeding had gevorderd in de vorm van bijvoorbeeld de vergoeding van wettelijke rente. Aangezien appellant een dergelijke vordering niet heeft ingediend, had appellant geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het (ingetrokken) bestreden besluit, zodat de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep.

Het vorenoverwogene betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt, en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal, zelf voorzienende, het inleidend beroep alsnog niet-ontvankelijk achten.

Het Uwv dient een nader besluit te nemen op de bezwaren van appellant tegen het besluit van 11 februari 2004.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.