Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
22-10-2007
Zaaknummer
05/3371 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening van de uitkering met volledig terugwerkende kracht. Inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3371 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 april 2005, kenmerk 04/1271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan Sociale Verzekeringsbank.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt in verband met het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 6 mei 1999 heeft de Svb de hoogte van de ANW-uitkering vastgesteld op f 1.030,04 (€ 467,41) bruto per maand. Daarbij is de Svb uitgegaan van een inkomen uit arbeid van f 1.473,80 (€ 668,78) en inkomen in verband met arbeid ter hoogte van f 1.004,63 (€ 455,88), zijnde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellante heeft op 28 september 1999 melding gemaakt van een gewijzigd inkomen in verband met arbeid. Per dag zou zij volgens eigen opgave een bedrag van Cadans ontvangen van f 139,32 (€ 63,22). Niet is aangegeven op welke dag de wijziging is ingegaan, noch heeft zij een specificatie van de gewijzigde bedragen overgelegd, volgens eigen zeggen omdat zij deze nog niet had ontvangen. Bij brief van 21 oktober 1999 heeft de Svb verzocht om een recente maandspecificatie. Op 22 december 2000 heeft appellante aan de Svb een op 21 september 1999 gedateerde specificatie van deze wijziging overgelegd, waarin aan appellante wordt meegedeeld dat zij met ingang van 28 juni 1999 in aanmerking wordt gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit arbeidsongeschiktheidspercentage was blijkens de specificatie een uitkeringsbedrag gekoppeld van f 90,31 (€ 40,98) bruto per dag, exclusief reservering voor vakantietoeslag.

Bij besluit van 22 augustus 2001 heeft de Svb de uitkering krachtens de ANW in verband met de gewijzigde inkomsten herzien. De Svb is daarbij uitgegaan van inkomsten in verband met arbeid van januari 2000 tot en met juni 2000 van f 2.061,25 (€ 935,35); van juli 2000 tot en met december 2000 van f 2.096,92 (€ 951,54); van januari 2001 tot en met juni 2001 van f 2.083,48 (€ 945,44) en van juli 2001 tot en met augustus 2001 van f 2.123,97 (€ 963,82). Bij de berekening is de Svb er van uitgegaan dat appellante geen inkomsten uit arbeid genoot. In de beschikking is de zinsnede opgenomen: “Mocht u wel loon hebben dan verzoeken wij u hierbij de maandspecificaties vanaf januari 2000 aan ons toe te zenden”.

Op het “Inkomensopgaveformulier” dat op 4 april 2002 door appellante aan de Svb is gezonden is uitsluitend de uitkering ingevolge de WAO als inkomstenbron vermeld. Na bij de werkgever van appellante, de Stichting Cascade (hierna: de werkgever), gegevens opgevraagd te hebben heeft de Svb bij beschikking van 4 augustus 2003 de uitkering over de periode van januari 1999 tot en met juni 2002 herzien als gevolg van gewijzigd inkomen. Bij beschikking van 13 oktober 2003 heeft de Svb, onder intrekking van de beschikking van 4 augustus 2003, de ANW-uitkering herzien over de periode van januari 1999 t/m september 2003 als gevolg van gewijzigd inkomen. Tevens heeft de SVB aan appellante medegedeeld dat een bedrag van € 13.841,88 zal worden teruggevorderd.

Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het geschil tussen partijen ziet primair op de vraag of de Svb terecht de uitkering met volledig terugwerkende kracht heeft herzien. Appellante stelt zich op het standpunt dat het (uiteindelijk) recht op ANW-uitkering niet dan wel onvoldoende van dragende bescheiden is voorzien. De Svb is uitgegaan van een inkomen dat zij niet heeft genoten. Tevens is in geding of de Svb terecht heeft geoordeeld dat hij de hoogte van de uitkering over de periode maart 1999 tot en met september 2003 niet eerder heeft kunnen vaststellen omdat appellante niet zou hebben voldaan aan de mededelingsplicht die ingevolge artikel 35 ANW op haar rust. Tot slot stelt appellante door het bestreden besluit op een financieel onaanvaardbaar levenspeil te geraken.

De Raad stelt op basis van de stukken vast dat de werkgever stelt aan appellante teveel loonaanvulling te hebben uitbetaald, hetgeen resulteerde in een schuld van appellante aan haar werkgever. Het aan appellante teveel betaalde inkomen uit arbeid is nog eind 2000 in de loonadministratie van de werkgever gecorrigeerd tot het bedrag waarop appellante daadwerkelijk aanspraak had. Op basis van dit gecorrigeerde salaris, corresponderend met de daadwerkelijke loonaanspraken van appellante jegens haar werkgever, heeft de Svb de hoogte van de ANW-uitkering vastgesteld. Daarnaast heeft de Svb in de vaststelling van de uitkering betrokken het door appellante later verdiende inkomen uit arbeid dat op grond van de afbetalingsregeling met haar werkgever niet is uitbetaald. De Raad is niet gebleken dat de inkomsten uit arbeid op onjuiste wijze door de Svb zijn verwerkt, noch dat eenzelfde inkomen uit arbeid door de Svb dubbel in de berekeningen is betrokken. Door of namens appellante zijn geen feiten of stukken aangedragen die aanleiding geven de berekening van de Svb onjuist te achten.

Met betrekking tot de herziening van het recht op ANW-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts wordt met toepassing van artikel 3:4 Awb geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de Svb belang aan:

- de mate waarin aan de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijkse leven van de betrokkene. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad is van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Het was haar bekend dat haar ANW-uitkering afhankelijk was van de hoogte van haar WAO-uitkering en het salaris dat zij verdiende. Tevens kon haar duidelijk zijn dat de bedragen waarvan de Svb uitging bij de berekening van haar ANW-uitkering lager waren dan het bedrag aan WAO-uitkering en salaris dat haar feitelijk toekwam. De stelling van appellantes gemachtigde dat appellante geen zicht had op de hoogte van haar salaris nu zij de definitieve gegevens hierover pas later ontving, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, reeds omdat zij maandelijks loonstroken ontving, waaruit zij haar gemiddelde salaris ten minste bij benadering had kunnen vaststellen. Daar komt bij dat zij heeft verzuimd deze aan de Svb ter beschikking te stellen, hoewel hier door de Svb om verzocht was. Appellante heeft voorts niets aangevoerd dat wijst op daadwerkelijke ingrijpendheid van de herziening in haar geval, op grond waarvan de Raad tot het oordeel zou moeten komen dat de herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk te achten is.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. L.H. Waller als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

PR/050907