Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
22-10-2007
Zaaknummer
06-6903 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6903 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A. te B. ] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 12 oktober 2006, kenmerk JZ/P60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom- van Berckel, werkzaam bij de Pensioen en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in januari 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. Hij heeft daarbij aangegeven gezondheidsklachten te hebben die een gevolg zouden zijn van het feit dat hij is geboren in gevangenschap tijdens de Japanse bezetting. Bij besluit van 14 oktober 2002 heeft verweerster geweigerd appellant te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, omdat niet is komen vast te staan dat appellant in gevangenschap is geboren. Blijkens de gedingstukken is verweerster daarbij uitgegaan van de uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkende geboortedatum van appellant, te weten 17 januari 1946. Verweerster heeft niet aannemelijk geacht dat appellant in mei/juni 1945 is geboren tijdens gevangenschap van zijn moeder in de Bantjeu-gevangenis te Bandoeng en heeft daarbij bepalend geacht dat de moeder van appellant zelf over de geboorte van haar zoon in de gevangenis niets heeft gemeld en heeft verklaard dat hij is geboren op 17 januari 1946. Tegen verweersters besluit van 14 oktober 2002 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

In juli 2005 heeft appellant bij verweerster een verzoek om herziening van voornoemd besluit ingediend. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 28 maart 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat in zaken als deze centraal de vraag of bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten zien dat besluit te herzien.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Appellant heeft in bezwaar bij verweerster een schrijven ingebracht van zijn (half-)broer D.F. Siccama, geboren op 12 september 1938 en wonende in de Verenigde Staten, die verklaart dat het heel goed mogelijk kan zijn dat Frank (appellant) tijdens de gevangenschap van zijn moeder is geboren.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster op goede gronden geoordeeld dat deze gegevens niet opwegen tegen de bij haar eerdere besluit betrokken informatie verschaft door appellants moeder. Voor appellants stelling dat hij pas maanden na zijn geboorte is aangegeven bij de burgerlijke stand in Bandoeng, is geen enkele onderbouwing aanwezig. Naar verweerster naar voren heeft doen brengen werd in een dergelijk geval in de geboorteakte hiervan melding gemaakt, hetgeen in het geval van appellant niet is gebeurd.

De omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, mede door het feit dat hij tijdens de gevangenschap van zijn moeder door dwang is verwekt, nooit een normaal gezinsleven heeft gekend en veel is tekort gekomen in zijn leven, kan gezien de omschrijving in artikel 2 van de Wet van onder de Wet vallend oorlogsgeweld, niet daaronder worden begrepen.

Het beroep van appellant moet derhalve ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar 11 oktober 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

12.09