Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
05-5220 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/568
USZ 2007/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juli 2005, 04/466 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens als partij deelgenomen [werkneemster], wonende te [woonplaats].

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[werkneemster], hierna: werkneemster, heeft desgevraagd geen toestemming gegeven haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen. Zij heeft voorts laten weten als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma. Werkneemster is verschenen, bijgestaan door haar advocaat, mr. R.A. Severijn.

II. OVERWEGINGEN

Werkneemster was werkzaam als schoonmaakster. Vanaf 1 februari 1999 werkte zij voor 22,5 uur bij appellante en daarnaast was zij vanaf 1 mei 1999 voor gemiddeld 17 uur per week werkzaam bij Beja B.V. Op 12 december 2001 heeft werkneemster zich met nek- en schouderklachten ziek gemeld voor het werk bij Beja B.V. Op 26 februari 2002 is werkneemster met dezelfde klachten ook uitgevallen voor haar werk bij appellante. Bij besluit van 6 januari 2003 heeft het Uwv werkneemster met ingang van 11 december 2002 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt omdat werkneemster naar haar mening op 11 december 2002 nog geen 52 weken arbeidsongeschikt was voor haar werk als schoonmaakster bij appellante, nu werkneemster voor haar werk bij appellante pas op 26 februari 2002 ongeschikt was geworden. Werkneemster heeft volgens appellante ook op een later tijdstip de wachttijd niet vervuld omdat zij door de arbodienst van appellante met ingang van 13 januari 2003 hersteld is verklaard.

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat als maatmanarbeid van werkneemster aangemerkt moet worden het werk als schoonmaakster gedurende gemiddeld 40 uur per week bij twee werkgevers en dat werkneemster hiervoor op 12 december 2001 arbeidsongeschikt is geworden en daarna ook is gebleven, zodat de wettelijke wachttijd op 11 december 2002 was verstreken.

Tegen het besluit van 5 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellante beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellante kan zich niet met deze uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft zij haar in bezwaar en beroep aangevoerde stellingen herhaald. Appellante is van mening dat beide dienstverbanden los van elkaar gezien moeten worden en dat werkneemster dan niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering op grond van het dienstverband met appellante omdat zij in verband met uitval door dat dienstverband de wachttijd van 52 weken nimmer heeft volgemaakt. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst appellante verder op een rapport van de Nationale ombudsman van 9 september 2004 in een volgens haar vergelijkbare zaak.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad al eerder als zijn oordeel heeft uitgesproken – bij voorbeeld in zijn uitspraak van 10 oktober 1991, LJN: ZB2115 – moet, indien een verzekerde laatstelijk voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid een hoofd- en een nevenfunctie in loondienst vervulde, in beginsel als de maatman of -vrouw worden aangemerkt degene die de beide functies vervult. In een geval waarin het gaat om twee functies van ongeveer gelijke omvang is dat niet anders.Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien de verzekerde op het tijdstip dat hij of zij de tweede functie ging vervullen naast de eerste functie al ongeschikt te achten was voor het naast elkaar vervullen van de betrokken functies of, zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 1 februari 1995, LJN: ZB2584 indien de combinatie van functies de grenzen van een normale dagtaak overschrijdt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak.

Werkneemster was laatstelijk voor haar ziekmelding op 12 december 2001 werkzaam als schoonmaakster voor ongeveer 40 uur per week in een combinatie van twee deeltijdfuncties. Er is geen grond voor het oordeel dat de combinatie van functies de grenzen van een normale dagtaak overschreed en evenmin is er reden om aan te nemen dat werkneemster bij de aanvang van de combinatie van functies reeds ongeschikt was voor die combinatie. De combinatie van schoonmaakfuncties voor ongeveer 40 uur per week was dus de maatvrouwarbeid van werkneemster. Nu werkneemster op

12 december 2001 wegens ziekte één van haar functies niet meer kon verrichten is het Uwv terecht uitgegaan van deze datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO. Immers, werkneemster was vanaf die dag niet meer geschikt haar maatvrouwarbeid in volle omvang te verrichten. De omstandigheid dat zij na haar uitval bij Beja B.V. nog enkele weken heeft doorgewerkt in haar functie bij appellante doet hieraan, gelet op het voorgaande, niet af.

Anders dan appellante meent kan uit het door haar overgelegde rapport van de Nationale ombudsman niet worden afgeleid dat in een situatie waarin sprake is van ziekteuitval in twee naast elkaar uitgeoefende dienstbetrekkingen ook twee afzonderlijke uitkeringsrechten voor de WAO ontstaan. Dat blijkt noch uit de in dat rapport weergegeven feiten of de daarin genoemde besluiten van het Uwv, noch uit de beoordelingen, conclusies en aanbevelingen van de Nationale ombudsman.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv er terecht van is uitgegaan dat de wachttijd voor de WAO op 10 december 2002 is vervuld.

Appellante heeft een brief van haar arbodienst van 18 december 2002 overgelegd waarin wordt vermeld dat werkneemster op die datum haar werk (nog) niet kon hervatten. Gelet hierop gaat de Raad ervan uit dat appellante niet bestrijdt dat werkneemster na afloop van de wachttijd op 11 december 2002 niet geschikt was voor het verrichten van haar maatvrouwarbeid. Niet is bestreden dat werkneemster op 11 december 2002 arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO naar een mate van 80 tot 100%.

Uit het voorgaande volgt dat werkneemster terecht per 11 december 2002 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellantes grieven tegen de aangevallen uitspraak treffen geen doel en die uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MR