Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
07-1018 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief verzekeringsarts is geen besluit. Prematuur bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/559
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1018 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2007, 06/2933 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2007, waar appellant en zijn gemachtigde, met berichtgeving, niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hamerling.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, die sedert 17 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontving, is op 12 januari 2006 in het kader van een herkeuring op grond van de WAO onderzocht door verzekeringarts W. Blok. Deze arts heeft appellant bij brief van 10 februari 2006 op de hoogte gesteld van de onderzoeksresultaten van de herkeuring en voorts nadat was geconcludeerd dat er geen verklaring was voor de gepresenteerde klachten het volgende medegedeeld: “Het voorgaande heeft tot gevolg dat uw wao-uitkering zal worden ingetrokken na een redelijke uitlooptermijn. Van het UWV ontvangt u een beslissing inhoudende het bovenstaande. Tegen deze beslissing kunt u in bezwaar gaan. In de beslissing staat aangegeven hoe u in bezwaar kunt gaan.”

Appellant is bij schrijven van 16 februari 2006 in bezwaar gekomen van voornoemde brief van 10 februari 2006. Het Uwv heeft appellant bij brief van 23 februari 2006, met het kenmerk B&B 704.027.09, in kennis gesteld van de ontvangst van zijn bezwaarschrift. Het Uwv heeft bij besluit van eveneens 23 februari 2006, met het kenmerk W-80-1215-0047, besloten tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 april 2006.

Mr. Kouwenaar heeft zich bij schrijven van 30 maart 2006 als gemachtigde van appellant gesteld in de procedure met het kenmerk B&B 704.027.09. De gronden van het bezwaar zijn door mr. Kouwenaar bij schrijven van 14 april 2006 ingediend.

Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 22 mei 2006, hierna: het bestreden besluit, zijn primair besluit van 23 februari 2006 gehandhaafd. Het Uwv heeft hiertoe allereerst overwogen dat de brief van verzekeringarts Blok van 10 februari 2006 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat deze brief moet worden aangemerkt als een vooraankondiging van een besluit om appellants WAO-uitkering per een nader te bepalen datum in te trekken. Het bedoelde besluit is op 23 februari 2006 bekend gemaakt. Appellant had zijn bezwaarschrift van

16 februari 2006 in principe te vroeg ingediend, zo stelde het Uwv. Het Uwv heeft het op 16 februari 2006 gedateerde bezwaarschrift vervolgens aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 23 februari 2006. Het door appellant gemaakte bezwaar, zoals aangevuld bij schrijven van 14 april 2006, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de op 10 februari 2006 gedateerde brief van de verzekeringsarts Blok niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen het rechtsmiddel van bezwaar niet openstond. De rechtbank heeft verder overwogen dat het bezwaar van appellant prematuur was, omdat het primaire besluit van 23 februari 2006 ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift nog niet tot stand was gekomen. Nu appellant, gelet op de redactie van de brief van 10 februari 2006, naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs ook niet kon menen dat het besluit reeds tot stand was gekomen, had het Uwv appellants bezwaar ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Nu het Uwv dit ten onrechte heeft nagelaten, heeft de rechtbank appellants beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de brief van 30 maart 2006, waarbij mr. Kouwenaar zich als gemachtigde van appellant heeft gesteld, geoordeeld dat deze brief niet is aan te merken als een tijdig bezwaarschrift tegen het besluit van

23 februari 2006, omdat deze brief zich blijkens het daarin genoemde kenmerk betrekking heeft op de bezwaarprocedure die aangevangen is met het premature bezwaarschrift.

De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorzien in de zaak, waarbij de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft tot slot bepalingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht.

Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft zich – kort gezegd – primair op het standpunt gesteld dat het besluit tot intrekking van zijn WAO-uitkering ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift reeds tot stand was gekomen en subsidiair dat hij redelijkerwijs kon menen dat het besluit reeds tot stand was gekomen. Appellant heeft hiertoe gesteld dat de verzekeringsarts hem tijdens het spreekuur van 12 januari 2006 al zonder enig voorbehoud had medegedeeld dat zijn WAO-uitkering ingetrokken zou worden. De verzekeringsarts heeft dit bevestigd in zijn brief van 10 februari 2006 met de mededeling: “Het voorgaande heeft tot gevolg dat uw WAO-uitkering zal worden ingetrokken na een redelijke uitlooptermijn.”

Verder heeft appellant aangevoerd dat het voor het Uwv kenbaar geweest moet zijn dat hij in bezwaar beoogde te komen van het formele besluit tot intrekking van zijn uitkering. Het Uwv had dit naar het oordeel van appellant onder meer kunnen afleiden uit het in de aanhef van zijn bezwaarschrift vermelde kenmerk. Het Uwv had appellant er op dienen te wijzen dat zijn bezwaarschrift prematuur was en hij van het formele besluit in bezwaar diende te komen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de brief van verzekeringsarts Blok van 10 februari 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van

10 februari 2006 is immers niet gericht op rechtsgevolg, maar behelst een aankondiging van een nader te nemen besluit over de intrekking van appellants WAO-uitkering. In de brief is voorts uitdrukkelijk toegelicht dat appellant tegen dat nader te nemen besluit in bezwaar kan gaan. Nu het Uwv het besluit tot intrekking eerst op 23 februari 2006 heeft genomen, en het bezwaarschrift van appellant dateert van 16 februari 2006, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bezwaar van appellant prematuur is. De Raad kan evenals de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet inzien dat appellant redelijkerwijs kon menen dat het besluit tot intrekking van zijn WAO-uitkering reeds tot stand was genomen. De Raad wijst erop dat met die brief nog niet vaststond met ingang van welke datum appellants uitkering ingetrokken zou worden. De Raad merkt in dit verband nog op dat de verwijzing naar de gang van zaken rond de besluitvorming in de Ziektewet en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van de Raad niet relevant is, nu het daarbij gaat om een andere regelgeving en een andere werkwijze. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is de Raad dan ook met de rechtbank van oordeel dat het Uwv appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen.

De Raad overweegt voorts dat de brief van 30 maart 2006 van mr. Kouwenaar niet aangemerkt kan worden als een tijdig bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2006. In deze brief worden geen grieven aangedragen tegen het besluit van 23 februari 2006, maar wordt enkel vermeld dat mr. Kouwenaar als gemachtigde van appellant zal optreden.

Blijkens het in de aanhef van de brief van 30 maart 2006 vermelde kenmerk (B&B 704.027.09), ziet deze brief ook niet op primaire besluit van 23 februari 2006 met het kenmerk W-80-1215-0047, maar op de bezwaarprocedure die is aangevangen is met het premature bezwaarschrift.

De Raad is tot slot niet gebleken van een rechtsplicht ten aanzien van het Uwv om in geval van een prematuur bezwaar de betrokkene hierop te attenderen.

Uit het voorgaande volgt dat de het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MH