Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
06-2785 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2785 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 31 maart 2006, 02/1164 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G. Sol, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2007. Appellante is (met bericht) niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als medisch secretaresse, is op 4 april 2000 uitgevallen met surmenageklachten. Naar aanleiding hiervan is appellante medisch onderzocht. In dit kader zijn enige beperkingen vastgesteld ten aanzien van haar belastbaarheid, welke zijn neergelegd in een belastbaarheidspatroon. Hiervan uitgaande is, na arbeidskundig onderzoek, de mate van haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Dienovereenkomstig is appellante, na het vervullen van de wettelijk voorgeschreven wachttijd, met ingang van 3 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar genoemd percentage.

Op 23 april 2001 heeft appellante zich met toegenomen klachten wederom arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan is appellante op 5 november 2001 gezien door een verzekeringsarts, die concludeerde dat appellante nog steeds belastbaar is op grond van het eerder opgestelde belastbaarheidspatroon. In aansluiting hierop is haar WAO-uitkering bij besluit van 7 december 2001 met ingang van 23 april 2001 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van dezelfde datum is deze uitkering met ingang van 10 december 2001 wederom herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft een bezwaarverzekeringsarts op grond van dossieronderzoek geconcludeerd dat het primaire medische oordeel kan worden gehandhaafd. Hiervan uitgaande heeft een bezwaararbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid onder wijziging van de effectueringsdatum nader vastgesteld op 45 tot 55%. Vervolgens is het bezwaar tegen voormeld besluit bij het bestreden besluit van 15 juli 2002 gegrond verklaard en is de WAO-uitkering met ingang van 30 januari 2002 herzien en nader berekend naar genoemd percentage.

In het kader van de beroepsprocedure heeft appellante een verklaring ingebracht van psychiater F.P. Bom van 19 februari 2003. Mede naar aanleiding van een reactie hierop van het Uwv heeft de rechtbank psychiater I.J.H. Stessel benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Vervolgens heeft psychiater in opleiding J.M. Piket, onder supervisie van psychiater Stessel, op 30 januari 2004 een rapport uitgebracht. Hierin is geconcludeerd dat bij appellante op 20 [lees: 30] januari 2002 niet alleen sprake was van surmenage, maar dat tevens sprake was van een depressieve stoornis van matige ernst.

Naar aanleiding van een reactie van beide partijen op dit rapport heeft psychiater Stessel bij brief van 21 januari 2005 zijn standpunt - desgevraagd - nader toegelicht. Hierbij is aangegeven dat op grond van de depressieve stoornis bij appellante sprake was van enige beperkingen in haar cognitieve en affectieve functies, maar dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen is af te leiden dat hiermee bij het vaststellen van het belastbaarheidspatroon voldoende rekening is gehouden.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat deskundige Stessel zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Voorts heeft zij betoogd dat een deskundige niet in staat kan worden geacht om een oordeel te geven over de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Van de zijde van het Uwv is een rapport van bezwaarverzekeringsarts

M. Bakker van 25 juli 2007 overgelegd, waarin een aantal mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies nader is toegelicht.

De Raad stelt voorop dat in ’s Raads vaste jurisprudentie besloten ligt dat het oordeel van de onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde, deskundige in beginsel wordt gevolgd. In het onderhavige geval heeft de Raad geen aanleiding gezien om daarvan af te wijken.

In dit kader heeft de Raad overwogen dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Stessel, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle omtrent appellante beschikbare medische gegevens, een zorgvuldig onderzoek naar de medische beperkingen van appellante heeft verricht en daarvan ook op een deugdelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad is van oordeel dat deze deskundige in zijn rapport tot een afgewogen en goed gemotiveerd oordeel omtrent de belastbaarheid van appellante is gekomen. Daarbij acht de Raad van belang dat de deskundige, blijkens de inhoud van zijn brief van

21 januari 2005, van oordeel is dat de beperkingen door de (bezwaar)verzekeringsartsen juist zijn vastgesteld. Bovendien heeft appellante in beroep noch in hoger beroep medische informatie ingebracht die aan de juistheid van het oordeel van de deskundige zou kunnen doen twijfelen. De Raad merkt hierbij nog op dat de door appellante in beroep ingebrachte informatie van psychiater Bom door de deskundige, blijkens de inhoud van zijn rapport, is meegewogen. Naar aanleiding van de grieven van appellante overweegt de Raad dat uit de reactie van de deskundige op het commentaar van appellante op zijn rapport niet kan worden afgeleid dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Voorts moet een door de rechter ingeschakelde deskundige, gezien zijn kennis en ervaring, naar het oordeel van de Raad bij uitstek in staat worden geacht om door een verzekeringsarts vastgestelde beperkingen te beoordelen.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zouden zijn. De Raad merkt hierbij op de in dit kader in het rapport van bezwaarverzekeringsarts Bakker gegeven toelichting toereikend te achten.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) W.R. de Vries.

JL