Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
05-4945 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAO-uitkering. WSW-inkomen naast WAO-uitkering. Anticumulatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4945 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 juni 2005, 04/535 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A.M. Baudoin, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, was sedert 19 juni 1989 in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 30 oktober 1989 is appellant werkzaam binnen het verband van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). In verband met de verdiensten uit die werkzaamheden is de WAO-uitkering van appellant diverse malen, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, tot uitkering gekomen als ware appellant ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Naar aanleiding van ontvangen informatie van appellant en van de werkgever over de omvang van de werkzaamheden van appellant en de daarmee samenhangende loonbetaling door de werkgever, heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2001 de WAO-uitkering geschorst, waarna de WAO-uitkering vervolgens toch werd uitbetaald als ware appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 55 tot 65%. Mede naar aanleiding van de gegeven informatie is door een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige een onderzoek verricht en is daarover een rapport opgesteld. De bevindingen uit die rapportage van 9 januari 2003 leidden tot het besluit van 19 juni 2003 waarbij het Uwv, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, de uitkering van appellant, die nog steeds was vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 april 1998 uitbetaalde als ware appellant 15 tot 25% arbeidsongeschikt en met ingang van 1 oktober 2002 uitbetaalde als ware appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt. Bij drie afzonderlijke besluiten van 21 juni 2003 heeft het Uwv vervolgens hetgeen over de perioden van 14 april 1998 tot en met 30 september 1998, van 2 november 1998 tot en met 31 oktober 2001 en van 1 oktober 2002 tot en met 30 juni 2003 teveel was betaald van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft tegen deze vier besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 januari 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag gesteld op € 20.693,88.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd aangezien de rechtbank van oordeel was dat het Uwv ten onrechte appellant niet in de gelegenheid had gesteld om te worden gehoord. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat appellant had moeten beseffen dat de som van zijn verdiensten in WSW-verband en zijn destijds betaalde WAO-uitkering hoger was dan het inkomen dat hij ontving vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank was ten slotte van oordeel dat er geen aanleiding was om aan te nemen dat er sprake was van een dringende reden op grond waarvan het Uwv zou kunnen afzien van de terugvordering.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen er op neer dat de terugvordering niet voldoet aan de eisen van de rechtszekerheid omdat het Uwv het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Volgens appellant mocht hij uit een eerdere nabetaling van een WAO-uitkering, een daarop betrekking hebbende brief van 5 november 1998 en een brief van 22 januari 1999 over zijn WAO-uitkering er op vertrouwen dat het bedrag dat hij aan uitkering ontving, juist was. Appellant heeft daarbij benadrukt dat door de nabetaling van de WAO-uitkering het zicht op de juiste hoogte van de uitkering werd vertroebeld. Voorts wijst hij er op dat hij zelf het Uwv er van op de hoogte heeft gesteld dat hij binnen WSW-verband werkzaam was en andere verdiensten had dan het Uwv veronderstelde. Naar de mening van appellant heeft het Uwv de signalen van appellant genegeerd en had het Uwv eerder moeten optreden. Ten slotte wijst appellant op zijn psychische problemen.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad wijst er allereerst op dat in het onderhavige geval geen sprake is van een herziening van de WAO-uitkering van appellant in de zin van de artikelen 36, 36a en 42 van de WAO, maar van de toepassing van artikel 44 van de WAO. Partijen en de rechtbank zijn er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat in casu de korting van de uitkering dient te worden getoetst aan de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen, welke regeling geen betrekking heeft op artikel 44 van de WAO. Er was derhalve geen noodzaak om te beoordelen in hoeverre het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij te veel uitkering kreeg, in de zin van die Regeling. Overigens wijst de Raad er wel op dat, gelet op het feit dat appellant naast zijn volledige salaris uit WSW-verband – ook in perioden van ziekte – een WAO-uitkering ontving, het appellant duidelijk had moeten zijn dat deze WAO-uitkering ten onrechte werd verstrekt.

Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, staat de aard noch de strekking van artikel 44 van de WAO er aan in de weg dat een uitkering met terugwerkende kracht wordt gekort (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2005, LJN AT7663). Daarbij dienen uiteraard wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen. Dat het Uwv in casu die beginselen, met name het door appellant genoemde vertrouwensbeginsel, heeft geschonden is de Raad niet gebleken. Uit de brieven en besluiten van 5 november 1998 en 22 januari 1999 valt in het geheel niet af te leiden dat appellant naast zijn WSW-inkomen gerechtigd zou zijn tot een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55% tot 65%. Ook uit de nabetaling van een WAO-uitkering in 1998 over eerdere jaren valt dat niet af te leiden. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat het Uwv niet voldoende tijdig heeft gereageerd op de signalen dat appellant inkomsten uit arbeid had. Het Uwv heeft immers naar aanleiding van die meldingen en mededelingen de uitkering aanvankelijk geschorst en appellant meegedeeld dat een nader onderzoek zou worden ingesteld waarna een nadere beslissing genomen zou worden. Ook aan de tijd die het Uwv heeft laten verstrijken alvorens tot de toepassing van artikel 44 en de terugvordering werd overgegaan, heeft appellant geen in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat het Uwv zou afzien van korting en terugvordering.

De Raad begrijpt ten slotte de stellingen van appellant met betrekking tot zijn psychische toestand aldus dat hij een beroep doet op de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO, die het Uwv zou moeten doen besluiten af te zien van de terugvordering. Het is de Raad echter niet gebleken dat de psychische aandoening van appellant daartoe noodzaakt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL