Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
06/5198 + 06/5199 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving. Deugdelijke motivering op punt van leidinggeven? Hoofdlijnen weergeven. Structureel opgedragen taken opnemen in aanhangsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5198 + 06/5199 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 juli 2006, 05/1611 en 05/1714 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

1. [Betrokkene 1]

2. [Betrokkene 2]

en

appellant

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met het geding 06/4252 AW - plaatsgevonden op 23 augustus 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot, mr. M.A. Suwout, [B.] en [v. V.], allen werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkenen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas, werkzaam bij de VBM/NOV, vakbond voor defensiepersoneel.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 15 december 2000 zijn de zestien garnizoenen van de Koninklijke Landmacht, waarin de bewakings- en beveiligingsfunctionaliteit voor de Landmacht was belegd, omgevormd naar een vijftal Regionaal Militair Commando’s. In verband hiermee diende de functie van beveiligingshoofdbeambte, waarin betrokkenen zijn geplaatst, opnieuw te worden beschreven en gewaardeerd. Bij besluiten van 3 november 2003, zoals nadien gewijzigd, is de beschrijving van deze functie vastgesteld, waartegen betrokkenen bezwaar hebben gemaakt. Bij besluiten van 5 augustus 2005 (hierna: bestreden besluiten) zijn, voorzover in deze gedingen nog van belang, de bezwaren van betrokkenen op het punt van het begeleiden van stagiaires gegrond verklaard, welke werkzaamheid volgens appellant in een tijdelijk aanhangsel bij de organieke functiebeschrijving dient te worden opgenomen, en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten gegeven. Daartoe is overwogen dat voldoende vast staat dat betrokkenen in opdracht van appellant de taak van baancommandant substantieel en structureel hebben uitgevoerd en dat deze taak bijvoorbeeld door middel van een tijdelijk persoonlijk aanhangsel opgenomen zou dienen te worden in de beschrijving van de aan betrokkenen opgedragen functie. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering ontberen op het punt van leidinggeven. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat aan betrokkenen is opgedragen functionerings-gesprekken te voeren, beslissingen te nemen over het al dan niet opnemen van verlof en ziekmeldingen af te handelen. Deze taken zijn evenwel niet opgenomen in de functie-omschrijving. Voorts vermag de rechtbank niet in te zien dat onder het begrip leiding-geven uitsluitend het vaststellen van beleid te vatten zou zijn, zoals appellant kennelijk beoogd heeft te stellen; hieronder zijn toch evenzeer de hiervoor genoemde taken te vatten die een ander aspect van leidinggeven betreffen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt voorop dat ingevolge de richtlijn functiebeschrijvingen KL en de handleiding functiebeschrijving 9.0 de functiebeschrijving de organieke functie op hoofdlijnen dient weer te geven, dat wil zeggen dat niet in detail wordt ingegaan op alle afzonderlijke werkzaamheden die door de functionaris moeten worden verricht. Structureel opgedragen taken die naar het inzicht van het bevoegd gezag niet behoren tot de organieke functie, kunnen de zwaarte van de functie mede bepalen en moeten om die reden volgens de richtlijn eveneens worden beschreven. Deze taken dienen te worden opgenomen in een aanhangsel dat onlosmakelijk deel uitmaakt van de functie-beschrijving.

3.2. Betrokkenen hebben ter zitting aangevoerd dat appellant in zijn hoger beroepschrift de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het punt van leidinggeven niet heeft bestreden. Dat betekent volgens betrokkenen dat appellant er niet aan ontkomt te erkennen dat betrokkenen leiding hebben gegeven en dat de functiebeschrijving daarop dient te worden aangepast.

3.3. De Raad onderschrijft dit niet. Naar zijn oordeel valt in het hoger beroepschrift van appellant niet te lezen dat hij de overwegingen van de rechtbank op het punt van leiding-geven niet heeft bestreden en meer in het bijzonder dat appellant zijn standpunt dat betrokkenen geen leiding hebben gegeven maar slechts operationeel aansturen heeft prijsgegeven. Appellant heeft dit standpunt ter zitting nader onderbouwd en betrokkenen zijn in de gelegenheid geweest hierop te reageren. Het vorenstaande betekent dat de beoordeling van de onderhavige geschillen zich ook uitstrekt tot het punt van leiding-geven.

3.4. De Raad stelt vast dat in de organieke functie van beveiligingshoofdbeambte geen sprake is van leidinggeven; de organieke leiding over het bewakingspersoneel in het bewakingsgebied berust bij de chef beveiligingsbeambte, zoals uit de functiebeschrijving van die functie blijkt. Daarbij gaat het niet alleen om het vaststellen van beleid, maar ook om taken als het houden van functioneringsgesprekken en het afhandelen van verlofaan-vragen en ziekmeldingen. De operationele aansturing die de beveiligingshoofdbeambte geeft aan zijn dienstploeg kan niet worden beschouwd als leidinggeven in de hier bedoelde, organieke, zin. Deze operationele aansturing is naar het oordeel van de Raad voldoende verwoord in de functiebeschrijving van beveiligingshoofdbeambte onder punt 1 en 2 van het kopje ‘Hoofdtaken’, te weten ‘coördineert als commandant Gebiedsmeld-punt de inzet van het bewakingspersoneel (waaronder ook BBT/BOT/Reserve en inhuur) in het bewakingsgebied’ en ‘draagt zorg voor de uitvoering van de taken door het aan hem toevertrouwde personeel’.

3.5. De Raad stelt voorts vast dat hoewel het houden van functioneringsgesprekken in samenhang met beoordelingsgesprekken organiek als leidinggevende taak bij de chef beveiligingsbeambte is gelegd, in individuele gevallen beveiligingshoofdbeambten zijn aangewezen om functioneringsgesprekken te voeren. In het geval van betrokkenen is dit ook gebeurd. Gelet hierop is de vraag aan de orde of deze taak opgenomen zou moeten worden in een persoonlijk aanhangsel bij de functiebeschrijving. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Naar het oordeel van de Raad is voldoende aannemelijk geworden dat deze taak niet alleen structureel wordt verricht, maar ook een substantieel deel uitmaakt van de functie van betrokkenen. Betrokkenen voeren jaarlijks functioneringsgesprekken met het aan hen toegewezen personeel. Dergelijke gesprekken zijn van wezenlijk belang voor de organisatie. Deze taak brengt mee dat gedurende het functioneringstijdvak geregeld stilgestaan moet worden bij het functioneren van de betrokken persoon, zodat in het functioneringsgesprek tot een afgewogen oordeel kan worden gekomen.

3.6. Ten aanzien van het al dan niet opnemen in de functiebeschrijving van het afhandelen van verlofaanvragen merkt de Raad op dat vast is komen te staan dat de chef beveiligings-beambte beslist inzake aanvragen om buitengewoon verlof en vakantieverlof. De werk-zaamheden die de beveiligingshoofdbeambten in het kader van verlof verrichten, te weten het verlenen van incidenteel verlof, het plannen van het rooster en het verwerken daarin van verlofaanvragen, zijn naar het oordeel van de Raad genoegzaam weergegeven onder punt 2 van de functiebeschrijving en dan in het bijzonder onder het aspect ‘het coör-dineren van de werkzaamheden en aansturen van het beveiligingspersoneel in zijn patrouillegebied’.

3.7. Ten aanzien van het afhandelen van ziekmeldingen stelt de Raad vast dat betrokkenen slechts ziekmeldingen aannemen en die meldingen registeren door middel van een digitaal format. Betrokkenen houden zich niet bezig met het begeleiden van de zieke medewerker. Gelet op de aard van deze werkzaamheden is de Raad van oordeel dat appellant zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat opname van deze werkzaamheden in de functiebeschrijving niet in de rede ligt.

3.8. Tussen partijen staat vast dat betrokkenen tot medio 2004 zijn opgetreden als baancommandant. Ter zitting is door appellant aangegeven dat baancommandant een andere taak betreft dan (hoofd)schietinstructeur. Appellant heeft niet kunnen aangeven waarom laatstgenoemde taak wel is opgenomen in de functiebeschrijving en de taak van baancommandant niet. De bestreden besluiten zijn op dit punt dan ook ondeugdelijk gemotiveerd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, onder verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant dient een nieuwe beslissing op de nog in geding zijnde bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en in aanmerking genomen dat het hier gaat om samen-hangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, te veroordelen tot een bedrag groot € 322,- aan elk van beide betrokkenen wegens aan hen in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op de bezwaren dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant tot vergoeding van een bedrag groot € 322,- aan elk van beide betrokkenen wegens proceskosten in hoger beroep, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD