Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
05-6085 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6085 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 augustus 2005, 04/366 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2007, waar appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als taxichauffeur gedurende 30 uur per week. Op 14 november 2002 heeft zij dit werk moeten staken wegens hartklachten en psychische klachten.

Bij besluit van 5 november 2003 heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, geweigerd om appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd in aanmerking te brengen voor de door haar aangevraagde uitkering, ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat zij met verschillende andere functies nog een zodanig inkomen kan verwerven dat zij in vergelijking met het maatgevende inkomen geen voor de toepassing van de WAO relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

Naar aanleiding van het door en namens appellante gemaakte bezwaar tegen voornoemd besluit heeft bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden, in een rapport van 16 februari 2004 een medische heroverweging verricht. Deze arts heeft aangegeven dat hij de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen kan onderschrijven. Voorts is ingegaan op de door en namens appellante in bezwaar aangevoerde nadere klachten, zoals artrose aan de handen, botontkalking, incontinentie, hoge bloeddruk, concentratieproblemen en moeheid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts hebben deze klachten geen aanleiding gegeven om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 18 september 2003 in voor appellante gunstige zin bij te stellen.

Bij besluit van 23 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 5 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellante en dat het bestreden besluit aldus van een voldoende te achten medische grondslag is voorzien.

Ook kan de rechtbank zich verenigen met de in aanmerking genomen functies waarbij tevens is aangegeven waarom appellante geschikt wordt bevonden voor functies in een fulltime dienstverband.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren. Met name handhaaft zij haar eigen opvatting dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij als gevolg van het geheel van haar klachten niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting als voor haar passende arbeidsmogelijkheden gebruikte functies. Appellante voert aan dat uit de door haar overgelegde brieven d.dis 10 maart 2003 en 13 april 2004 van dr. P.J.L.M. Bernink, cardioloog, gericht aan de huisarts van appellante, A.J. Lameris, blijkt dat zij - tot op heden - hartklachten heeft en dat dit leidt tot verdergaande beperkingen dan aangenomen.

De Raad ziet het hoger beroep niet slagen. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en heeft geoordeeld met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante ook in hoger beroep er niet in is geslaagd haar eigen opvatting inzake de voor haar op de datum in geding geldende fysieke en/of psychische beperkingen aan de hand van objectief-medische gegevens te onderbouwen. Op de nader in hoger beroep ingebrachte brieven heeft bezwaarverzekeringsarts J. van der Leij in een rapport van 3 januari 2006 gereageerd. Deze arts heeft gemotiveerd aangegeven dat de door de cardioloog in deze brieven vermelde onderzoeksbevindingen de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid ondersteunen zodat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid.

Ook kan de Raad zich, in navolging van de rechtbank, verenigen met de als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat op goede gronden WAO-uitkering aan appellante is geweigerd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Gunter.

JL